of 59183 LinkedIn

Raadspresidium gelegaliseerd

Henk Bouwmans 4 reacties
Het raadspresidium, een van de informele overlegplatforms ontstaan na de invoering van de dualisering, krijgt een plekje in de Gemeentewet. De burgemeester krijgt een prominentere rol bij collegevorming.

Door de scheiding van gemeenteraad en college is een nieuw platform ontstaan, waar bepaald wordt wat de gemeenteraad bespreekt. Dat is het presidium bestaande uit fractievoorzitters en meestal onder leiding van burgemeester óf vice-voorzitter van de raad en bijgestaan door de raadsgriffier. Een formele status in het lokale bestuurlijke krachtenveld heeft het presidium van de raad niet, maar staatssecretaris Bijleveld (Binnenlandse Zaken, CDA) wil dat veranderen. ‘Het is wenselijk dat het presidium van een wettelijke grondslag wordt voorzien. Het verdient de voorkeur de op dit punt ontstane praktijk te institutionaliseren’, schrijft Bijleveld aan de Tweede Kamer.

 

Bijleveld vindt dat de burgemeester – en dus niet zijn plaatsvervanger – voorzitter van het presidium dient te zijn. Het presidium krijgt als taak het opstellen van de raadsagenda én wordt belast met de aansturing van de griffier. De legalisering van het presidium maakt deel uit van een reeks voorstellen om de werking van het dualisme in de lokale politiek en bestuur komend jaar te verbeteren. Zo moet ook de burgemeester eerder betrokken worden bij de collegevorming.

 

Formeel wordt de burgemeester slechts geïnformeerd over de uitkomsten van de collegeonderhandelingen en mag hij daarover zijn opvattingen gegeven. Bijleveld kondigt aan komend voorjaar hierover met een voorstel te komen.

 

Burgerjaarverslag

 

De verplichting om jaarlijks een burgerjaarverslag te maken, wordt door Bijleveld uit de Gemeentewet geschrapt. Het burgerjaarverslag is bedoeld om te meten hoe het gesteld is met burgerparticipatie en de gemeentelijke dienstverlening. Volgens Bijleveld is het lastig gebleken om de burger te betrekken bij deze veelal glossyachtig vormgegeven jaarverslagen. ‘Daardoor is het animo voor het burgerjaarverslag onder burgemeesters gedaald’, aldus Bijleveld.

 

Vanwege het belang van burgerparticipatie en publieke verantwoording wil de staatssecretaris dat gemeenten een eigen invulling bedenken. Haar ministerie wil daarbij helpen via de ‘Proeftuinen voor burgerparticipatie’ waarbij gemeenten experimenten voor grotere burgerbetrokkenheid kunnen aandragen die ook voor hun collega’s bruikbaar zijn. Tevens heeft het ministerie aangekondigd begin 2009 met de ‘Code voor goed openbaar bestuur’ te komen, waarin uitgangspunten als openbaarheid, integriteit, rechtmatigheid en doelmatigheid worden opgenomen.

 

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door Toine Theunis (Griffier gemeente Breda) op
11 december 2008 stuurde staatssecretaris Bijleveld het rapport Staat van dualisering naar de Tweede Kamer. Het is een degelijk en helder rapport, gebaseerd op grondig onderzoek en voorzien van interessante aanbevelingen. Of het hiermee voldoet aan de gestelde verwachtingen, zoals de staatssecretaris in haar brief schrijft, is nog maar de vraag. Over wiens verwachtingen heeft zij het dan?

Zo haalt de staatssecretaris in haar brief de vier hoofdproblemen aan zoals die door de staatscommissie zijn geschetst (druk op politieke partijen, duale bestuurspraktijk, herkenbaarheid lokaal bestuur en collegialiteit binnen college). In de memorie van toelichting worden drie einddoelen geformuleerd: herstel van de positie van de gemeenteraad als het belangrijkste lokale politieke forum, herstel van de volksvertegenwoordigende functie van de gemeenteraad en versterking van de herkenbaarheid van het lokale bestuur voor de burger.

Juist bij dit onderwerp worden problemen, oplossingen, instrumenten en doelen gemakkelijk door elkaar gebruikt. Naast het oplossen van problemen en het bereiken van einddoelen, zijn er dan ook nog de actiepunten of, anders gezegd, de instrumenten die moeten worden verbeterd en/of ingevoerd, zoals een rekenkamer, een wethouder die geen lid meer is van de raad en de griffier. Moet er een probleem worden opgelost, een einddoel worden bereikt of een instrument worden ingevoerd? Wat is nu feitelijk onderzocht? Antwoord op deze vragen is van belang om vast te kunnen stellen aan wiens verwachtingen dit rapport voldoet.

Het onderzoek heeft zich vooral gericht op de door de staatscommissie gestelde hoofdproblemen en daarbinnen voornamelijk aandacht voor de instrumentele kant. Hiermee wordt aan de verwachtingen van veel spelers binnen het dualisme voldaan. Binnen deze context is het rapport en de aanbevelingen van grote waarde, maar beperkt. Het zegt weinig tot niets over de uiteindelijke doelen die met de invoering van het dualisme moeten worden bereikt.

Staat van dualisering is daarmee een geheel ander rapport dan bijvoorbeeld het rapport Effecten van dualisering voor burgers: Beweging naar buiten? uit 2005. Dit onderzoek, uitgevoerd door de Universiteit van Tilburg onder verantwoordelijkheid van de begeleidingscommissie ‘Vernieuwingsimpuls Dualisme en lokale democratie’, stelt de burger centraal. Dit onderzoek heeft zich gericht op de hoofddoelen van de dualisering en dan vooral op wat het oplevert voor de burger. Het proces van dualisering werd als volgt betiteld: ‘Er is vooral nog sprake van “stil dualisme”: iedereen in het in het gemeentehuis is er erg druk mee, maar de buitenwacht merkt er betrekkelijk weinig van.’ Men heeft de burger destijds intensief bij het onderzoek betrokken.

Ik concludeer ten aanzien van Staat van dualisering dat nu alleen de ‘stille kant’ is onderzocht of, anders gezegd, men heeft zich alleen gericht op de ene kant van de kloof om in termen van kloof tussen politiek en burger te spreken. Het rapport is waardevol, maar ook betrekkelijk. Vraag is wanneer de burger nu eens echt in beeld komt. Er is de afgelopen jaren veel geïnvesteerd in het instrumentarium en dat heeft men blijkbaar goed gedaan. De vraag blijft open staan of de investering in de dualisering voor de burger enig rendement oplevert en daarmee ook indirect voor gemeenteraden. En daar hebben we nog steeds geen antwoord op.
Door Marc-Jan Ahne (adviseur en interimgriffier, Gemeenteraad. nl, Hardenberg) op
Onder de titel ‘Raadspresidium gelegaliseerd’ worden de voorgestelde wijzigingen van de Gemeentewet besproken. Staatssecretaris Bijleveld wil het presidium van de gemeenteraad van een wettelijke grondslag voorzien, dit ‘om de ontstane praktijk te institutionaliseren’. Ook dient de burgemeester voorzitter te zijn van het presidium, dient het presidium de agenda van de raad op te stellen en de griffie aan te sturen.

Op zich hoeven deze voorstellen niet problematisch te zijn, immers bijna alle gemeenteraden hebben inmiddels een presidium of agendacommissie die de concept-agenda van de raad opstelt. Om daar ook het werkgeverschap van de raad onder te brengen is een praktische oplossing die voor veel griffiers eindelijk duidelijkheid zal geven. Ik ga hierbij voor het gemak er maar even van uit dat Bijleveld dit niet tot een verplichting wil maken, het zou in de vorm kunnen dat het raadspresidium het werkgeverschap vervult, tenzij een gemeenteraad dit anders heeft geregeld.

Hier komen we ook op de vraag in hoeverre Bijleveld vanuit Den Haag de ontstane praktijk nu wil vastleggen. Als je kijkt naar de wijze waarop de verschillende gemeenteraden omgaan met de agendering dan zie je dat daarin geen uniformiteit is. In veel gemeenten bestaat het presidium uit de fractievoorzitters, in veel andere gemeenten uit de commissievoorzitters of een aantal daartoe aangewezen raadsleden. Ook zie je dat in veel gemeenten niet alle fracties vertegenwoordigd zijn, in deze gemeenteraden wordt het presidium gezien als een niet-politiek orgaan waar slechts procedurele zaken worden besproken.

Ook over het voorzitterschap van het presidium kun je verschillend denken, de burgemeester kan deel uitmaken van het presidium vanuit de rol van raadsvoorzitter. In die constructie is het logisch dat de burgemeester ook het presidium voorzit. Maar er zijn ook gemeenten waar de burgemeester als adviseur namens het college de vergaderingen bijwoont, dit om bijvoorbeeld de gevolgen van niet of later agenderen van voorstellen te duiden. In dat geval zou het voorzitterschap van het presidium natuurlijk niet bij de burgemeester moeten liggen.

Zonder een mening te geven over wat nu de juiste samenstelling van een presidium is, lijkt het vooral een lokale smaak te zijn die bepaalt hoe het presidium wordt samengesteld. Ook het voorzitterschap van het presidium is een keuze van de raad waar de wetgever zich volgens mij niet mee moet bemoeien. Gemeenteraden zijn uitstekend in staat om binnen een aantal randvoorwaarden zelf hun zaken te organiseren. Soms werkt iets goed in de ene gemeente, maar past dit totaal niet in een andere gemeente. Dat is het leuke van de diversiteit in het lokale openbaar bestuur.
Door Hans de Kort (lezer, Raalte) op
Het raadspresidium, een van de informele overlegplatforms die zijn ontstaan na invoering van de dualisering, krijgt een plekje in de Gemeentewet, aldus staatssecretaris Bijleveld. Een prima voornemen, ware het niet dat zij daarbij een grote fout begaat. Bijleveld vindt namelijk dat de burgemeester, en niemand anders, voorzitter van het presidium dient te zijn.

En dit laatste is toch wel de wereld op zijn kop. Blijkbaar heeft deze staatssecretaris niets begrepen van het doel waarvoor het dualisme is ingevoerd, namelijk: het versterken van de positie van de raad. Bijleveld doet, door de positie van de burgemeester per wet te versterken, juist het tegenovergestelde. Vriend en vijand zijn het er over eens: een van de grote weeffouten in de Dualiseringswet is het dubbele voorzitterschap bij de burgemeesters, te weten: het voorzitterschap van én het college van B en W én de gemeenteraad.

Burgemeesters worden hierdoor steeds opnieuw gedwongen tot een welhaast onmogelijke spagaat. Keer op keer kunnen bezoekers van raadsvergaderingen vaststellen dat burgemeesters problemen krijgen door dit dubbelepettensysteem.

Ter vergelijking: een wetsvoorstel met als doel het voorzitterschap van zowel de Tweede Kamer als van de regering bij één persoon (de minister-president) onder te brengen, zou het terecht onmogelijk halen. Waarom wil men iets dergelijks dan wel toestaan bij gemeenten? Bijleveld gaat, met haar voornemen om nu ook het voorzitterschap van het presidium per wet in handen te geven van de burgemeesters, helemaal een stap in te verkeerde richting. Over de kat op het spek binden gesproken!

Staatssecretaris Bijleveld en haar minister Ter Horst waren vroeger burgemeester. Wellicht dat dit bij hen, rond dit onderwerp, in hoge mate bedrijfsblindheid heeft veroorzaakt. Het is te hopen dat deze staatssecretaris wakker wordt en de échte weeffouten uit de Dualiseringswet verwijdert, met als eerste handeling het afschaffen van het dubbele voorzitterschap van raad en college. Wij hebben in onze eigen gemeente kunnen vaststellen dat raadsvergaderingen, wanneer het voorzitterschap níet in handen was van de burgemeester, duidelijk aan waarde en kleur wonnen.

Vanzelfsprekend zullen de meeste burgemeesters zeggen geen probleem te hebben met het dubbelepettensysteem. Maar hen moet je ook niet vragen. Je vraagt een gans ook niet of-ie geslacht wil worden!

Nog iets voor mevrouw Bijleveld. Als u het raadspresidium al een wettelijke grondslag wilt geven, verplicht het dan tevens openbaar te vergaderen. Formeel is dit overlegplatform weliswaar ingevoerd voor ‘slechts’ het samenstellen van raadsagenda’s, maar in de praktijk wordt hier meestal stevig politiek bedreven.
Door Sytze Dijkstra (raadsgriffier gemeente Tytsjerksteradiel) op
Het raadspresidium krijgt een plek in de Gemeentewet. Niet alleen het platform zelf krijgt een plek in de Gemeentewet, maar - als het aan de staatssec­retaris ligt - ook de samenstelling en de taak ervan. Zo dient volgens de staatssecretaris de burgemeester voorzitter te zijn, stelt het presidium de raadsagenda op en vervult het de werkgeversrol ten opzichte van de griffier.

Sinds de dualisering zijn er in de gemeenten diverse procedurele overlegplatforms binnen de raad ontstaan: naast het presidium gaat het bijvoorbeeld om een agendacommissie, een werkgeverscommissie en een commissie communicatie. In de ene gemeente bestaan al deze platforms naast elkaar, in een andere gemeente vervult het presidium al deze taken. Elke gemeenteraad heeft daartoe de afgelopen jaren eigen keuzes gemaakt, passend bij de eigen bestuursstructuur en -cultuur. Ook de samenstelling van al deze platforms verschilt per gemeente, soms is er bijvoorbeeld bewust voor gekozen om de burgemeester geen lid te laten zijn van het presidium. Op deze wijze heeft iedere gemeente weldoordacht invulling gegeven aan de procedurele kant van de dualisering.

Om de taak en samenstelling van het presidium voortaan in de Gemeentewet te willen bepalen, getuigt naar mijn mening van een sterk staaltje onnodig centralisme. Laat het toch alsjeblieft aan de raden zelf over hoe zij hun procedurele taken willen regelen! Bovendien is het vrijwel onmogelijk om de ‘op dit punt ontstane praktijk te institutionaliseren’, gezien de grote verscheidenheid in de praktijk.

Niemand zit te wachten op uniformering hiervan. Het is een oplossing voor een niet bestaand probleem! Indien gewenst zou volstaan kunnen worden met een algemene, overkoepelende bepaling, maar naar mijn mening is dit al voldoende geregeld in het huidige artikel 84 van de Gemeentewet. Het lijkt mij zinvoller dat de staatssecretaris haar energie richt op belangrijker problemen, zoals de uitbreiding van het lokaal belastinggebied.