of 59232 LinkedIn

Werkgeversaansprakelijkheid en ambtenaren

1 reactie

Afbeelding

mr. A.T. Bolt (Anneke)

 

Wanneer een werknemer lichamelijke of psychische schade oploopt in verband met de door hem verrichte werkzaamheden, zijn de mogelijkheden die de werknemer heeft om deze schade op zijn werkgever te verhalen in de wet geregeld. De werkgever kan een beroep doen op art. 7:658 BW en/of art. 7:611 BW. Deze bepalingen zijn ingevolge art. 7:615 BW in beginsel niet van toepassing op ambtenaren. Dat doet de vraag rijzen op welke vergoedingen een ambtenaar aanspraak heeft als hij in samenhang met zijn werk schade oploopt.

Globaal genomen zijn er voor ambtenaren in dergelijke gevallen twee mogelijke compensatiestelsels: de tegemoetkomingen die zijn geregeld in de voor ambtenaren geldende rechtspositiereglementen en in aanvulling daarop de werkgeversaansprakelijkheid. Beide stelsels hebben hun eigen kenmerken en voorwaarden.

 

Tegemoetkomingen volgens rechtspositiereglementen

Hoewel voor verschillende ambtenaren ook verschillende rechtspositiereglementen gelden, kennen al deze reglementen wel een regeling voor de mate waarin de ambtenaar in geval van arbeidsongeschiktheid recht heeft op doorbetaling van zijn bezoldiging. Volgens deze regelingen heeft de ambtenaar recht op allerlei extra vergoedingen, zoals een hoger percen­tage doorbetaalde bezoldiging, vergoeding van bepaalde ziektekosten en soms smarten­geld, als zijn arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door een dienstongeval of een beroepsziekte. Daartoe moet in de regel aan drie voorwaarden worden voldaan.

 

  • De oorzaak van de arbeidsongeschiktheid moet zijn gelegen in de aard van de opge­dragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze werkzaamheden moesten worden verricht.
  • De arbeidsongeschiktheid moet daardoor in overwegende mate zijn veroorzaakt.
  • De arbeidsongeschiktheid moet niet aan de schuld of nalatigheid van de ambtenaar zelf te wijten zijn.

 

Niet vereist is dat de werkgever enig verwijt treft ter zake van het ontstaan van de schade van de ambtenaar. In zoverre geldt in het kader van de rechtspositieregeling dus een soort van risicoaansprakelijk­heid van de werkgever, zodra het vereiste verband tussen de schade en de opgedragen werkzaamheden bestaat.

 

Bij ongevallen met letselschade wordt bij de beoordeling of er sprake is van een dienstongeval, vooral gelet op de inhoud van de functie. Wanneer uit de aard van de opgedragen werkzaam­heden een verhoogde kans op het aan de ambtenaar overkomen ongeval voortvloeit, is dat voldoende om een dienstongeval aan te nemen. Zo worden verkeersongevallen aangemerkt als dienstongeval zodra vaststaat dat de deelname aan het verkeer voor de uitoefening van de werkzaamheden noodzakelijk was. Ook sportongevallen of ongevallen bij personeelsuitjes gelden als dienstongeval als de sport of het uitje verplicht was en dus kan gelden als “opgedragen werkzaamheden”.

 

Werkgeversaansprakelijkheid

Ook wanneer er sprake is van een dienstongeval of een beroepsziekte kan de ambtenaar te maken hebben met restschade, die niet onder de rechtspositieregeling wordt vergoed. Gedacht kan worden aan aanvullende inkomensschade, behoefte aan huishoudelijke hulp, niet vergoede immateriële schade. De ambtenaar kan het bevoegd gezag verzoeken om deze restschade te vergoeden. Daartoe is het bevoegd gezag echter slechts verplicht als het aansprakelijk is voor de bewuste schade. Deze aansprakelijkheid moet worden beoordeeld aan de hand van de voor de ambtenaar geldende regels.

 

Hoewel het ambtenarenrecht geen bepaling als art. 7:658 BW kent, wordt door de Centrale Raad van Beroep sinds een uitspraak uit het jaar 2000 aansluiting gezocht bij de norm die in art. 7:658 BW voor de relatie tussen gewone werknemers en hun werkgevers is geformuleerd. Ook voor ambtenaren geldt derhalve dat op de werkgever een schuldaansprakelijkheid rust en dat de bewijslast ten aanzien van de naleving van de zorgplicht bij de werkgever ligt. Bij dit alles is het echter niet zo dat de rechtspraak van de Hoge Raad, waarin nader invulling is gegeven aan art. 7:658 BW, een op één door de Centrale Raad van Beroep is overgenomen. De Centrale Raad vaart blijkens zijn jurisprudentie op bepaalde punten een koers, die voor de werkgever hier en daar wat gunstiger lijkt uit de pakken. Als de werkgever kan aantonen dat hij een deugdelijk uitgewerkt veiligheidsbeleid voert en dat dit beleid in het concrete geval is nageleefd, neemt de Centrale Raad gemakkelijker dan de civiele rechter aan dat de werkgever aan zijn zorgplicht heeft voldaan.

 

Wanneer de met art. 7: 658 BW vergelijkbare norm voor de ambtenaar geen soelaas biedt, kan hij anders dan de gewone werknemer niet zijn toevlucht zoeken in het goed werkgever­schap. Hoewel het ambtenarenrecht sinds 1 maart 2006 in art. 125 ter Ambtenarenwet wel een bepaling kent zoals art. 7 :611 BW, heeft de Centrale Raad van Beroep tot dusver uitdrukkelijk geen aansluiting gezocht bij de rechtspraak die de Hoge Raad op grond van art. 7: 611 BW heeft gewezen. Het goed werkgeverschap vormt voor ambtenaren dus niet het vangnet dat het voor gewone werknemers wel kan bieden.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door Hans op
Op welk artikel kan wel een beroep worden gedaan als werkgever besluit om gemaakte kosten voor een advocaat niet te vergoeden. En juridische ondersteuning moest worden ingezet door een actie van de werkgever die achteraf beschouwd onterecht en ongepast bleek.

Contactgegevens

Nysingh advocaten-notarissenAfbeelding

Afbeelding

mr. P.L.G. Haccou (Patrick)

T 026 357 57 35

www.nysingh.nl

Meer nieuws

Afbeelding

Op de hoogte blijven? Volg Nysingh

Afbeelding Afbeelding Afbeelding

Afbeelding