of 59054 LinkedIn

Vergoeding huishoudelijke hulp op de tocht

1 reactie
 

Op 1 januari is de nieuwe Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) van kracht geworden. De gemeenten zijn vanaf nu verantwoordelijk voor het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van hun inwoners met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen aan het maatschappelijk verkeer. Het doel van deze decentralisatie is om ervoor te zorgen dat mensen zo lang mogelijk in hun eigen leefomgeving kunnen blijven wonen. Hierbij is het uitgangspunt dat de gemeenten inwoners ondersteuning bieden als zij binnen hun eigen directe omgeving of met behulp van vrijwilligers niet kunnen voorzien in de noodzakelijke zorg.    

Een andere belangrijke doelstelling van de Wmo 2015 is gelegen in de noodzaak om fors te bezuinigen op de kosten van langdurige zorg. Volgens de wetgever worden teveel vormen van ondersteuning betaald uit de collectieve middelen, terwijl mensen die ook zelf zouden kunnen betalen. Het budget om de zorgtaak uit te voeren is daarom met ongeveer een derde verminderd.
 

Vanwege deze forse bezuinigingsopgave werd in de aanloop tot de inwerkingtreding van de Wmo 2015 al duidelijk dat veel gemeenten voornemens waren om die bezuiniging te realiseren door de huishoudelijke ondersteuning te beperken of in het geheel stop te zetten. Weliswaar verplicht de wet de gemeenten om een zorgplan voor de maatschappelijke ondersteuning en een verordening voor de uitvoering daarvan vast te stellen, maar de wet schrijft de inhoud van de verordening niet in detail voor. De gemeenten hebben dus een ruime beleidsvrijheid voor het invullen van de zorgtaak.

 

De Wmo 2015 staat er bijvoorbeeld niet aan in de weg om een bestaande aanspraak op een vergoeding voor huishoudelijke hulp na een ‘keukentafelgesprek’ te heroverwogen en vervolgens geheel of gedeeltelijk aan te merken als ‘gebruikelijke hulp’.  Onder ‘gebruikelijke hulp’ wordt verstaan de hulp die mensen elkaar normaal gesproken in een huishouden geven.

 

Recent hebben een paar rechtbanken uitspraken gedaan op verzoeken om een voorlopige voorziening (bestuursrechtelijk kort geding) ter zake van de beëindiging of de beperking van de vergoeding voor huishoudelijke hulp. Deze spoedprocedures zijn aangespannen door hulpbehoevende ouderen die onder de Wmo 2007 al een aanspraak hadden op huishoudelijk hulp. In die zaken staat de vraag centraal of  gemeenten de vergoeding van de huishoudelijke hulp op grond van de nieuwe Wmo 2015 mogen beëindigen of verminderen.

 

Gemeente Dantumadeel zorgde voor de eerste rechtspraak. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Wmo 2015 had deze gemeente al in 2014 op grond van de oude wet besloten om een voorziening of een persoonsgebonden budget (pgb) voor de huishoudelijke hulp met ingang van 1 januari 2015 te beëindigen. Met ingang van het nieuwe jaar wordt de huishoudelijk hulp in Dantumadeel aangemerkt als ‘gebruikelijke hulp’.

 

Hiertegen kwam een hoogbejaard echtpaar op die hun vergoeding voor huishoudelijk hulp in rook zag opgaan, terwijl zij vanwege hun medische beperkingen zelf niet in staat zijn om iets in het huishouden te doen. Bij voorlopige uitspraak van 9 december 2014 (ECLI:NL:RBNNE:2014:6176) heeft  de Voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland geoordeeld dat de vergoeding voor huishoudelijke hulp niet zonder medisch onderzoek had mogen worden stopgezet.  De sinds 2012 ongewijzigde medische situatie van de hulpbehoevende ouderen stond eraan in de weg om hun pgb op grond van het gestelde bij en krachtens de Wmo 2007 in te trekken. De voorzieningenrechter bepaalde dat het hulpbehoevende echtpaar vooralsnog hun pgb behoudt.

 

Na deze voorlopige uitspraak was het tot twee weken geleden stil op het rechtsterrein van de Wmo 2015. Toen zijn er vier nieuwe en deels voorlopige uitspraken gewezen over de aanspraak op huishoudelijke hulp.

 

De twee voorlopige uitspraken van de rechtbank Gelderland (ECLI:NL:RBGEL:2015:1490 en 1494) laten zich het best vergelijken met die van Dantumadeel. De gemeente Montferland heeft bepaald dat de eerste drie uur huishoudelijke hulp in de week met ingang van 2015 worden beschouwd als een algemeen gebruikelijke voorziening. De eerste drie uur hulp in de week moeten de inwoners van de gemeente Montferland voortaan zelf bekostigen.

 

In twee gevallen, waarin tot 2015 aanspraak bestond op minder dan drie uur huishoudelijke hulp in de week, kwam de voorzieningenrechter tot het oordeel dat die voorziening niet zonder onderzoek naar de individuele omstandigheden van de hulpbehoevende kan worden beschouwd als een algemeen gebruikelijke voorziening. Hieruit blijkt dat voordat een gemeente tot het oordeel kan komen dat een voorziening algemeen gebruikelijk is, er steeds een op de persoon toegespitst onderzoek moet plaatsvinden. De voorzieningenrechter floot de gemeente terug en bepaalde dat de gemeente per direct de huishoudelijk hulp voorlopig weer moet vergoeden.

 

Anders dan de gemeenten Dantumadeel en Montferland heeft de gemeente Utrecht een collectieve maatwerkvoorziening voor huishoudelijke hulp vastgesteld op maximaal 78 uur per jaar (gemiddeld 1,5 uur per week). In het geval deze collectieve maatwerkvoorziening onvoldoende ondersteuning biedt, kunnen maatwerkmodules worden ingezet. De rechtbank Midden-Nederland kwam tot het oordeel dat deze collectieve norm in zijn algemeenheid in redelijkheid is vastgesteld (ECLI:NL:RBMNE:2015:1394 en 1395). Wel vindt de rechtbank dat de gemeente in de twee voorliggende situaties nader onderzoek had moeten doen naar het inzetten van aanvullende maatwerkvoorzieningen. De rechtbank stelt de gemeente Utrecht in staat om dit gebrek binnen een periode van vier weken te herstellen.

 

De besproken rechtszaken laten zien dat de gemeenten hun zorgplicht op het terrein van de huishoudelijke hulp verschillend invullen. Helaas lenen deze uitspraken zich nog niet voor het ontlenen van algemene lijnen over de grenzen van de beleidsvrijheid die gemeenten hebben ten aanzien van hun zorgtaak in relatie tot de huishoudelijke hulp. Die rechtspraak zal eerst duidelijke contouren krijgen als de Centrale Raad van Beroep zich hierover als laatste instantie zal uitspreken. Tot die tijd zullen er naar verwachting nog vele (voorlopige) uitspraken volgen die vanwege de grote beleidsvrijheid voor de gemeenten sterk casuïstisch van aard zullen zijn. Wat wel uit de besproken voorlopige uitspraken blijkt is dat de gemeenten de huishoudelijke hulp niet kunnen stopzetten zonder onderzoek te doen naar de gezondheid en het welbevinden van de betrokkene.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door Erik Nobel (Fractievoorzitter ) op
De gemeente Voorst gaat ook volledig voorbij aan de verplichting eerst een onderzoek te doen. Opvragen in de raad hierover, antwoordde de wethouder dat hij zich niet gebonden acht aan de uitspraak Dantumadeel. De. Gemeente heeft een generieke korting toegepast van 30% op de HV. Alleen onze fractie was daar tegen.

Contactgegevens

Nysingh advocaten-notarissenAfbeelding

Afbeelding

mr. P.L.G. Haccou (Patrick)

T 026 357 57 35

www.nysingh.nl

Meer nieuws

 

Afbeelding

Op de hoogte blijven? Volg Nysingh

Afbeelding Afbeelding Afbeelding

Afbeelding