of 59045 LinkedIn

Tenuitvoerlegging veroordeling vergoeding wettelijke rente. Verjaring bevoegdheid

Reageer
 
HR 18 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2623

Op grond van artikel 3:324 lid 1 BW verjaart de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechtelijke uitspraak door verloop van twintig jaren. In lid 3 van dit artikel is een uitzondering opgenomen voor het geval dat een uitspraak strekt tot betalingen bij het jaar of een kortere termijn.

Daar is bijvoorbeeld sprake van bij een in een uitspraak vastgelegde periodieke betaling zoals huur, maar ook bij de bijkomende veroordeling tot betaling van rente. In dergelijke gevallen geldt een verjaringstermijn van vijf jaren. In de toelichting is vermeld dat de uitzondering op de verjaringstermijn van twintig jaren is gelegen in enerzijds het gevaar voor de schuldenaar dat bij het onbetaald blijven de bedragen tot onredelijk hoog kunnen oplopen. Anderzijds mag van de schuldeiser worden verwacht dat binnen redelijke termijn wordt overgegaan tot betekening van het vonnis en schriftelijke aanmaning.

 

In bovengenoemd arrest had het hof een vonnis bekrachtigd inhoudende een veroordeling tot vergoeding van schade, daaronder begrepen de wettelijke rente, nader op te maken bij staat. Op het moment dat het vonnis werd gewezen en later door het hof werd bekrachtigd, was het schadebedrag nog niet vastgesteld. De vraag doet zich voor of een veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente, zonder dat in de uitspraak een bedrag is vastgesteld waarover de rente berekend dient te worden, onder de uitzondering van artikel 3:324 lid 3 BW - en daarmee onder de korte verjaringstermijn van vijf jaren - valt.

De Hoge Raad oordeelt dat voor de toepasselijkheid van artikel 3:324 lid 3 BW niet is vereist dat hetgeen ingevolge de uitspraak bij het jaar of kortere termijn moet worden betaald, in die uitspraak zelf is vastgesteld op een bepaald bedrag. Blijkens de wetsgeschiedenis is de bepaling toepasselijk als de uitspraak strekt tot betalingen bij het jaar of kortere termijn. Het voorschrift bestrijkt derhalve alle daarin bedoelde periodieke verplichtingen voor zover het vorderingsrecht is ontstaan. Ook in het geval waarin het bedrag van een periodieke verplichting nog onbepaald is, dreigt voor de schuldenaar immers het gevaar dat het door hem te betalen bedrag tot onredelijke hoogte zal oplopen.

 

De vraag of de uitspraak in kwestie een verplichting als bedoeld in artikel 3:324 lid 3 BW inhoudt, dient te worden beantwoord aan de hand van het dictum, gelezen in samenhang met de daaraan voorafgaande overwegingen en het gevorderde. De Hoge Raad komt vervolgens tot het oordeel dat de vordering tot vergoeding van wettelijke rente een verplichting als genoemd in voornoemd artikel betreft. Nu de verjaring niet tijdig is gestuit, is de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente verjaard.

Meer informatie
Voor meer informatie kunt u contact op nemen met mr. Erin Speelman, E: erin.speelman@nysingh.nl | T: 026 3 57 57 34 | M: 06 27 00 27 99.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Contactgegevens

Nysingh advocaten-notarissenAfbeelding

Afbeelding

mr. P.L.G. Haccou (Patrick)

T 026 357 57 35

www.nysingh.nl

Meer nieuws

 

Afbeelding

Op de hoogte blijven? Volg Nysingh

Afbeelding Afbeelding Afbeelding

Afbeelding