of 59100 LinkedIn

Staatssteunrecht en het bestuursrechtelijk relativiteitsvereiste

Reageer

Afbeeldingmr. V.A. Textor (Vera)

 

De Centrale Raad van Beroep (hierna: ‘Raad’) oordeelt in deze uitspraak (CRvB 21 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:607) dat de beroepsgrond van appellant – dat sprake is van onrechtmatige staatssteun ingevolge artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: ‘Awb’) – niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. In deze bijdrage bespreek ik deze uitspraak en ga ik vervolgens in op de vraag wanneer de schending van de staatssteunregels wel zou kunnen leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.

In artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is bepaald wanneer sprake is van een staatssteunmaatregel. Ingevolge artikel 108, derde lid, van het VWEU moet de Europese Commissie op de hoogte worden gesteld van een voornemen tot invoering van een staatssteunmaatregel en mag deze maatregel niet worden uitgevoerd voordat de Commissie deze heeft goedgekeurd.

 

In deze casus heeft appellant geweigerd mee te werken aan een door het college van Arnhem aangeboden voorziening in verband met arbeidsintegratie. In dat verband voert hij aan, dat om diverse redenen de voorziening tot stand is gekomen met onrechtmatige staatssteun. Appellant stelt, dat van hem niet kon worden verwacht, dat hij zou meewerken aan onrechtmatige staatssteun. Hij heeft dan ook mogen weigeren om de arbeidsovereenkomst te tekenen. In ieder geval is niet inzichtelijk of aan alle door de Europese Commissie gestelde voorwaarden aan geoorloofde staatssteun is voldaan. Bij twijfel moet dit worden gemeld aan de Europese Commissie, wat ten onrechte niet is gedaan.

 

In artikel 8:69a van de Awb is bepaald, dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene, die zich daarop beroept. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht blijkt, dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen, dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de belanghebbende door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel, die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de belanghebbende.

 

Met het college is de Raad van oordeel, dat artikel 107, eerste lid, van het VWEU kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van appellant. Uit de plaatsing van artikel 107 binnen het VWEU onder de titel ‘Gemeenschappelijke regels betreffende de mededinging, de belastingen en de onderlinge aanpassing van de wetgevingen’ en in het hoofdstuk ‘Regels betreffende de mededinging’ moet namelijk worden afgeleid, dat deze bepaling ziet op bescherming van het belang van eerlijke mededinging binnen de interne markt van de Europese Unie. Het belang van appellant is echter gericht op toeleiding naar de arbeidsmarkt.

 

Hieruit volgt, dat de beroepsgrond van appellant – dat sprake is van onrechtmatige staatssteun ingevolge artikel 8:69a van de Awb – niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Deze beroepsgrond wordt daarom buiten bespreking gelaten.

 

Wanneer kan in een bestuursrechtelijke procedure de schending van de staatssteunregels wel leiden tot een vernietiging van een besluit? In de uitspraak wordt in dat verband verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van 13 januari 2005 ( Streekgewest Westelijk Noord-Brabant, C-174/02, ECLI:EU:C:2005:10, punt 19). Daarin heeft het Hof van Justitie geoordeeld, dat niet alleen concurrenten er belang bij kunnen hebben zich voor de nationale rechter te beroepen op de rechtstreekse werking van artikel 108, derde lid, van het VWEU, maar dat ook justitiabelen – die worden onderworpen aan een heffing die integrerend deel uitmaakt van een steunmaatregel die in strijd met artikel 108, derde lid, van het VWEU tot uitvoer is gebracht – hier belang bij kunnen hebben.

 

Zo heeft de Afdeling recent overwogen, dat het bestuursrechtelijke relativiteitsvereiste niet in de weg staat aan een beroep op artikel 108, derde lid van het VWEU in een bestemmingsplanprocedure door concurrenten. Het ging om een bestemmingsplan dat voorzag in de realisatie van een Pathé-bioscoop te Leeuwarden. Uit de uitspraak van 21 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3386) blijkt, dat concurrerende bioscopen in de nabijheid van het plangebied (overigens tevergeefs) aanvoerden, dat sprake was van ongeoorloofde staatssteun. Daaraan stond artikel 8:69a van de Awb niet in de weg.

 

Ook in subsidierechtelijke procedures, waarbij appellanten opkomen tegen een subsidiebesluit van een concurrent, hoeft artikel 8:69a van de Awb mijns inziens niet in de weg staan aan een beroep op artikel 108, derde lid van het VWEU.

 

Meer informatie

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. Vera Textor, E: vera.textor@nysingh.nl | M: 06 12 39 39 56

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Contactgegevens

Nysingh advocaten-notarissenAfbeelding

Afbeelding

mr. P.L.G. Haccou (Patrick)

T 026 357 57 35

www.nysingh.nl

Meer nieuws

 

Afbeelding

Op de hoogte blijven? Volg Nysingh

Afbeelding Afbeelding Afbeelding

Afbeelding