of 59221 LinkedIn

Misbruik van bevoegdheden in relatie tot de Wet openbaarheid van bestuur

Reageer

Afbeeldingmr. M.J. Tunnissen (Mark)

 

Rb Midden-Nederland 12 augustus 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:3558

Bij beschikking van 25 februari 2013 is aan eiser een boete van € 23,- opgelegd vanwege een verkeersovertreding. Eiser heeft bij brief van 21 maart 2013 administratief beroep ingesteld tegen deze beschikking. In diezelfde brief heeft hij op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) om openbaarmaking van diverse documenten gevraagd om zijn administratief beroep te kunnen onderbouwen (hierna: Wob-verzoek I).

Voorts heeft eiser bij brief van 23 juli 2013 verzocht om openbaarmaking van de meest recente versie van het zaakoverzicht alsmede van alle door verweerder vergaarde dossierstukken (hierna: Wob-verzoek II). Daarnaast heeft eiser een viertal ingebrekestellingen gericht aan verweerder die verband houden met de beslissingen op (bezwaar van) zijn Wob-verzoeken en het door hem ingestelde beroep tegen de beslissing op het administratief beroep met betrekking tot de opgelegde boetebeschikking. Daarbij heeft eiser verweer gewezen op de mogelijke verschuldigdheid van een dwangsom.

 

Verweer heeft bij besluit van 24 april 2013 (het primaire besluit) beslist op Wob-verzoek I. Bij besluit van 2 oktober 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door eiser gemaakte bezwaar tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard. Tegen dat besluit richt zich het beroep van eiser.

De rechtbank heeft zich, gelet op het procesverloop, allereerst de vraag gesteld of (de gemachtigde van) eiser op juiste wijze van zijn bevoegdheden gebruik heeft gemaakt. In navolging van de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 december 2013 (ECLI:NL:RBROT:2013:10241), heeft de rechtbank vastgesteld dat de aard van de verhouding tussen overheid en burger met zich brengt dat niet snel mag worden aangenomen dat sprake is van misbruik van bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 3:15 BW door (de gemachtigde van) een burger. Volgens de rechtbank moet een burger namelijk de ruimte krijgen om tegen besluiten van de overheid op te komen. Naar het oordeel van de rechtbank staat de bestuursrechtelijke aard van de rechtsbetrekking er echter niet aan in de weg dat in deze verhouding een bevoegdheid kan worden misbruikt door een burger jegens de overheid.

 

De manier waarop (de gemachtigde van) eiser in de onderhavige zaak te werk is gegaan leidt de rechtbank tot het oordeel dat eiser in dit geval misbruik heeft gemaakt van bevoegdheden die hij (en zijn gemachtigde namens hem) heeft tot het indienen van een Wob-verzoek, een ingebrekestelling en een bezwaarschrift. Zoals uit het hiervoor weergegeven procesverloop volgt, heeft de oplegging van een boete van € 23,- eiser aanleiding gegeven tot het indienen van een veelheid aan Wob-verzoeken / ingebrekestellingen. Na indiening van Wob-verzoek I heeft eiser zowel in de primaire fase als in de bezwaarfase ingebrekestellingen aan verweerder verzonden, waarbij hij telkens expliciet melding heeft gemaakt van zijn mogelijke aanspraak op een dwangsom. Nadat eiser bezwaar had gemaakt tegen het primaire besluit en hij in afwachting was van een beslissing op dit bezwaar, heeft hij Wob-verzoek II ingediend. Dit Wob-verzoek zag in essentie op dezelfde stukken als Wob-verzoek I, dat dus nog voorwerp was van een bezwaarprocedure. Ook in het kader van de besluitvorming over Wob-verzoek II heeft eiser een ingebrekestelling aan verweerder verstuurd, waarbij hij zijn mogelijke aanspraak op een dwangsom kenbaar maakte. Vervolgens heeft eiser ook in het kader van het beroep tegen de boete van een ingebrekestelling verzonden, wederom met vermelding van de mogelijke verschuldigdheid van een dwangsom.


De rechtbank heeft daarbij vastgesteld dat iedere brief die door eiser aan verweerder is gestuurd een ander kenmerk heeft. Door een dergelijke grote hoeveelheid Wob-verzoeken en ingebrekestellingen te verzenden, met steeds een ander kenmerk, en door vervolgens niet de besluitvorming op een bezwaarschrift af te wachten, maar een volgend verzoek gebaseerd op dezelfde verkeersovertreding in te dienen, heeft eiser verweerder ernstig bemoeilijkt in zijn taak om steeds binnen de wettelijk gestelde termijn een deugdelijk besluit te nemen en tevens het overzicht van de lopende zaken te behouden. Deze handelwijze kan volgens de rechtbank niet los worden gezien van het feit dat de gemachtigde van eiser in het jaar 2013 alleen al bij de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens ongeveer 300 verzoekers meer dan 1000 Wob-verzoeken heeft ingediend. Dit aantal bevat nog niet de ingebrekestellingen en bezwaar- en beroepschriften die daarop zijn gevolgd.

 

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat de handelwijze van (de gemachtigde van) eiser in dit geval niet gericht is geweest op het tijdig verkrijgen van informatie over de door hem gepleegde verkeersovertreding, maar op het incasseren van dwangsommen. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van misbruik van procesrecht. Het beroep is om die reden niet-ontvankelijk verklaard.
Hoewel de rechtbank op zich aanleiding ziet om het verzoek van verweerder om eiser te veroordelen in de proceskosten toe te wijzen, is er niet gebleken van kosten die op grond van artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor vergoeding in aanmerking komen.

 

Deze uitspraak biedt, gelet op de uitkomst ervan, bestuursorganen een handvat om ingeval van een veelheid van ingediende en over elkaar tuimelende Wob-verzoeken en ingebrekestellingen de bestuursrechter te verzoeken om een beroep niet-ontvankelijk te verklaren wegen misbruik van bevoegdheden.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Contactgegevens

Nysingh advocaten-notarissenAfbeelding

Afbeelding

mr. P.L.G. Haccou (Patrick)

T 026 357 57 35

www.nysingh.nl

Meer nieuws

Afbeelding

Op de hoogte blijven? Volg Nysingh

Afbeelding Afbeelding Afbeelding

Afbeelding