of 59180 LinkedIn

Leidinggevende moet altijd aanwezig zijn in slijterij; Afdeling past correctie Widdershoven toe

Reageer

AfbeeldingAfbeeldingmr. M. van Nijendaal (Maarten) en mr. M.J. Tunnissen (Mark)

 

De SlijtersUnie heeft aan burgemeesters van de gemeenten Sint-Oedenrode, Schijndel en Someren verzocht om handhavend op te treden tegen een aantal supermarkten waarin een slijterij is gevestigd. Volgens de SlijtersUnie zijn deze slijterijen geopend op momenten dat er geen leidinggevende aanwezig is, hetgeen in strijd is met artikel 24, eerste lid van de Drank- en Horecawet (Dhw). Kort gezegd verbiedt dit artikel om een slijterij voor het publiek geopend te houden, indien in de inrichting geen leidinggevende aanwezig is.

ABRvS 28 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3451, ECLI:NL:RVS:2016:3453 en ECLI:NL:RVS:2016:3454

 

De supermarktexploitanten stelden zich op het standpunt dat er wel degelijk een leidinggevende aanwezig is. De slijterij behoort volgens de exploitanten tot dezelfde inrichting als de supermarkt. Nu altijd een leidinggevende in de supermarkt aanwezig is, is volgens de exploitanten geen sprake van een overtreding van artikel 24 Dhw.

 

De verzoeken om handhavend optreden zijn door de burgemeesters afgewezen. Nadat de SlijtersUnie met succes beroep had ingesteld, zijn de burgemeesters en supermarkexploitanten in hoger beroep gegaan.

 

Inrichting in de zin van de Dhw

De Afdeling staat in de eerste plaats stil bij de vraag wat onder een inrichting in de zin van de Dhw moet worden verstaan.

 

De Afdeling overweegt dat uit de definitie van het begrip ‘inrichting’ in artikel 1 Dhw en de parlementaire geschiedenis volgt dat besloten ruimten waarin niet het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend, niet tot de inrichting behoren. Het enkele feit dat die besloten ruimten op hetzelfde adres of in hetzelfde pand zijn gevestigd als een besloten ruimte waarin wel het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend, maakt dit niet anders. Naar het oordeel van de Afdeling doet evenmin ter zake of het slijtersbedrijf en de supermarkt door dezelfde onderneming worden geëxploiteerd. Dit betekent dat een inrichting in de zin van artikel 1 Dhw niet bestaat uit het hele pand waarin een supermarkt en slijterij zijn gevestigd, maar slechts uit de in het pand gelegen besloten ruimten waarin het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend.

 

Gelet op het begrip ‘inrichting’ in artikel 1 Dhw oordeelt de Afdeling, in navolging van de rechtbank, dat ook in een slijterij in een supermarkt een leidinggevende aanwezig moet zijn. Het is dus niet voldoende dat de leidinggevende zich elders in de supermarkt bevindt. Dit betekent dat er in onderhavige kwesties sprake is van overtreding van artikel 24 Dhw.

 

De correctie Widdershoven

Vervolgens ligt de vraag voor of de SlijtersUnie zich op artikel 24 Dhw kan beroepen vanwege het relativiteitsvereiste.

 

De supermarktexploitanten stelden zich op het standpunt dat artikel 24 Dhw niet strekt tot bescherming van het door de SlijtersUnie behartigde concurrentiebelang. De Afdeling volgt dit standpunt. Uit de parlementaire geschiedenis van de Dhw volgt naar het oordeel van de Afdeling dat artikel 24, eerste lid Dhw strekt tot bescherming van het belang van het voorkomen van gezondheidsrisico’s en maatschappelijke problemen, waarbij het onder meer gaat om bescherming van de volksgezondheid en de openbare orde. Het concurrentiebelang van de SlijtersUnie wordt dus niet beschermd door artikel 24 Dhw. Gelet hierop zou toepassing van het relativiteitsvereiste ex artikel 8:96a Awb tot gevolg hebben dat de SlijtersUnie geen beroep kan doen op schending van artikel 24 Dhw.

 

De Afdeling wijst echter op de door haar in de uitspraak van 16 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:732) aanvaarde correctie op de toepassing van het relativiteitsvereiste. Deze door staatsraad AG Widdershoven geïntroduceerde correctie houdt in dat de schending van een norm die vanwege het relativiteitsvereiste niet tot vernietiging zou kunnen leiden, kan bijdragen tot het oordeel dat het vertrouwensbeginsel of gelijkheidsbeginsel is geschonden. In de conclusie van Widdershoven van 2 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3680), is vermeld dat voor een succesvol beroep op het gelijkheidsbeginsel nodig is dat een bedrijf daadwerkelijk is benadeeld. Dit is het geval indien aan een bedrijf, in een situatie die wat betreft de geldende wettelijke voorschriften en de feiten voldoende vergelijkbaar is, verplichtingen zijn opgelegd waaraan zijn concurrent als gevolg van de schending van de betrokken norm niet hoeft te voldoen.

 

Voor toepassing van deze correctie gaat de Afdeling na of zelfstandige slijterijen worden benadeeld ten opzichte van slijterijen in supermarkten. Daarbij bekijkt de Afdeling of aan zelfstandige slijterijen verplichtingen zijn opgelegd waaraan in supermarkten gevestigde slijterijen niet behoeven te voldoen als gevolg van het uitblijven van handhavend optreden tegen overtreding van artikel 24, eerste lid Dhw.

 

Naar het oordeel van de Afdeling worden zelfstandige slijterijen daadwerkelijk benadeeld. Bij slijterijen in een supermarkt staat de burgemeester immers – ten onrechte – toe dat een leidinggevende niet in de slijterij, maar in de supermarkt aanwezig is. Deze slijterijen maken dus minder kosten voor een leidinggevende, omdat deze kosten gedeeltelijk of voornamelijk ten laste van de supermarkt komen. In het geval van zelfstandige slijterijen komen de kosten volledig ten laste van de slijterij, omdat de leidinggevende zich alleen kan bezighouden met het verstrekken van sterke drank en andere slechts aan het slijtersbedrijf gerelateerde activiteiten.

 

Aan zelfstandige slijterijen worden volgens de Afdeling dus verplichtingen opgelegd waaraan slijterijen in supermarkten niet in dezelfde mate behoeven te voldoen, terwijl beide gevallen wat betreft de geldende wettelijke voorschriften en de feiten voldoende gelijkenis vertonen. Hoewel artikel 24, eerste lid Dhw, niet strekt ter bescherming van de belangen van de SlijtersUnie, draagt de overtreding van dit artikel dus wel bij aan het oordeel dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. De Afdeling concludeert dat de rechtbank derhalve terecht, zij het op andere gronden, heeft overwogen dat artikel 8:69a Awb niet in de weg staat aan vernietiging van de besluiten van de burgemeesters wegens strijd met artikel 24, eerste lid Dhw.

 

Tot slot

Deze uitspraken zijn om meerdere redenen relevant voor de praktijk. In de eerste plaats volgt uit de uitspraken dat ook slijterijen in supermarkten een leidinggevende moeten aanstellen. In de tweede plaats zijn de uitspraken relevant omdat de Afdeling voor de eerste keer de correctie Widdershoven toepast. Hiermee is duidelijk dat die correctie niet enkel een theoretische mogelijkheid betreft en dat partijen zich daadwerkelijk niet meer te allen tijde kunnen verschuilen achter de beschermende werking van het relativiteitsvereiste.

 

Meer informatie

Neem voor meer informatie over deze uitspraken en onderwerpen contact op met mr. Maarten van Nijendaal, E: maarten.vannijendaal@nysingh.nl| M: 06 22 17 66 54 of mr. Mark Tunnissen, E: mark.tunnissen@nysingh.nl | M: 06 12 64 52 14

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Contactgegevens

Nysingh advocaten-notarissenAfbeelding

Afbeelding

mr. P.L.G. Haccou (Patrick)

T 026 357 57 35

www.nysingh.nl

Meer nieuws

 

Afbeelding

Op de hoogte blijven? Volg Nysingh

Afbeelding Afbeelding Afbeelding

Afbeelding