of 58940 LinkedIn

Inbezitneming?

Reageer

Afbeeldingmr. F.J. van Beek (Frank)

 

HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743

Met regelmaat treffen wij de situatie aan dat burgers stukjes grond (ik zal spreken over: de strook) van de gemeente zijn gaan gebruiken. Indien de gemeente dan vordert dat de strook wordt ontruimd om weer als gemeentegrond te worden ingericht, of voorstelt dat de gebruiker de strook koopt, wordt regelmatig het verweer gevoerd dat de eigendom van de strook als gevolg van de zogenaamde extinctieve verjaring is overgegaan naar die gebruiker. De gemeente vist dan achter het net.

Uit de wet en jurisprudentie volgt dat een dergelijk beroep op de verkrijgende verjaring slaagt als kan worden aangetoond dat de gebruiker bezitter is geworden, die situatie van bezit ten minste twintig aaneengesloten jaren heeft plaatsgevonden (of het bezit een voortzetting is van onrechtmatig gebruik anders dan als bezitter) en de gebruiker bezitter is op het moment van verjaring van de rechtsvordering.

 

Het daarvoor vereiste bezit vangt aan door inbezitneming op zodanige wijze, dat dit naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet doet. Dit dient te blijken uit de uiterlijke omstandigheden, waaruit een wilsuiting kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden. In de jurisprudentie wordt in dat verband vaak gesproken over ondubbelzinnig bezit, hetgeen wil zeggen dat de oorspronkelijk rechthebbende uit dat bezit niets anders heeft kunnen afleiden dan dat de gebruiker zich rechthebbende van de strook waant.

 

In de jurisprudentie is met regelmaat de vraag gesteld hoe hiermee om te gaan als de gebruiker huurder of erfpachter is van het naastliggende perceel, waarbij de strook is getrokken. Deze huurder of erfpachter zal zich immers eerder huurder of erfpachter van de strook wanen dan eigenaar.

 

Op 7 maart 1980 heeft de Hoge Raad hierover een uitspraak gedaan en aangegeven dat – kort gezegd – indien de oorspronkelijk rechthebbende goede gronden had om te menen dat de gebruiker zich geen rechthebbende waande, er geen sprake is van de vereiste mate van bezit. Er was dan sprake van machtsuitoefeningen die evenzo goed door een juridisch houder (huurder of erfpachter) zouden kunnen worden verricht.

 

Dit arrest is in de lagere rechtspraak met regelmaat onjuist begrepen. Vorderingen van gebruikers werden afgewezen op grond van de constatering dat de betreffende machtsuitoefening in het algemeen ook door een huurder of erfpachter kon worden verricht. Met het arrest van 18 september jl. heeft de Hoge Raad aan deze onduidelijkheid een einde gemaakt. Een beroep op verkrijgende verjaring moet op grond van het criterium van ondubbelzinnig bezit slechts dan worden afgewezen als de (objectieve) rechthebbende ook daadwerkelijk aanleiding had om te vermoeden dat het gebruik op een andere grondslag dan vermeend eigendom berustte. De AG spreekt over dat de eigenaar in de verdedigbare veronderstelling moet verkeren dat de persoon die zijn onroerende zaak gebruikt dit doet als zakelijk of persoonlijke gerechtigde.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Contactgegevens

Nysingh advocaten-notarissenAfbeelding

Afbeelding

mr. P.L.G. Haccou (Patrick)

T 026 357 57 35

www.nysingh.nl

Meer nieuws

 

Afbeelding

Op de hoogte blijven? Volg Nysingh

Afbeelding Afbeelding Afbeelding

Afbeelding