of 59183 LinkedIn

Hof Den Haag doet langverwachte uitspraak in ‘Mothers of Srebrenica’-zaak

Reageer

Afbeeldingmr. J.M. Fluitsma (Jonne)

 

Gerechtshof Den Haag, 27 juni 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1761

‘Met het assisteren in de evacuatie van de mannelijke vluchtelingen die op het compound van Dutchbat verbleven, heeft de Nederlandse Staat hen een 30% kans ontnomen om aan de onmenselijke behandelingen en executies te ontkomen.’

Op 27 juni heeft het Hof Den Haag een cruciale uitspraak gedaan in de zaak van de nabestaanden van slachtoffers uit Srebrenica tegen de Nederlandse Staat. Het voert in dit kader te ver om een beschrijving te geven van de achtergrond van het Srebrenica-conflict en de gebeurtenissen die hebben geleid tot de aansprakelijkheidsstelling van de Nederlandse staat. Ik verwijs hiervoor dan ook simpelweg naar de uitspraak (voor de geïnteresseerde lezer) of naar de website van de NOS.

 

Hoe oordeelde de rechtbank?

In eerste aanleg heeft de rechtbank de vorderingen van de Stichting “Mothers of Srebrenica” afgewezen, met uitzondering van de vordering op grond van onrechtmatige daad. De rechtbank achtte de Staat op laatstgenoemde grond aansprakelijk voor “de schade die de door de Stichting vertegenwoordigde personen hebben geleden als gevolg van de medewerking die Dutchbat heeft verleend aan de deportatie van de mannelijke vluchtelingen die in de namiddag van 13 juli 1995 vanaf de compound te Potocari door de Bosnische Serven zijn gedeporteerd en vervolgens gedood”.

 

Oordeel van het Hof

Tegen dit oordeel gingen zowel de Stichting als de Staat in appel. Het Hof overweegt dat enkel aansprakelijkheid van de Nederlandse Staat kan worden aangenomen wanneer i) het handelen van Dutchbat aan de Staat kan worden toegerekend, er ii) onrechtmatig gehandeld is en iii) dit onrechtmatig handelen in causaal verband staat met de door de nabestaanden geleden schade.

 

Toerekening

Het Hof oordeelt in het kader van de toerekening allereerst dat het enkele feit dat de VN immuniteit geniet, geen reden is voor een ruimere toerekening aan de Nederlandse Staat. Toerekening aan de Staat kan pas plaatsvinden wanneer zij ‘effective control‘ over de gedragingen van Dutchbat uitvoerde. In dit kader overweegt het Hof dat Dutchbat enkel vanaf 11 juli 1994 om 23.00 uur effective control had. Dit was namelijk het moment dat de Staat samen met de VN heeft besloten om Dutchbat de humanitaire hulp aan en (de voorbereiding van) de evacuatie van de vluchtelingen in de mini safe area te laten verzorgen.
Gedurende het gehele voorafgaande conflict stond Dutchbat onder ‘command and control’ van de VN, de Staat had ook geen feitelijke zeggenschap over Dutchbat.

 

Onrechtmatigheid

In het kader van de onrechtmatigheid oordeelt het Hof – anders dan de rechtbank – dat van belang is het moment waarop bij de leiding van Dutchbat wetenschap bestond dat de te evacueren mannen ook los van genocide, een reëel gevaar liepen op de dood of om te worden onderworpen aan foltering of aan een onmenselijke of vernederende behandeling. Deze wetenschap bestond volgens het Hof in de avond van 12 juli 1995. Aldus handelde Dutchbat ‘onrechtmatig door de evacuatie op 13 juli 1995 te blijven begeleiden met het vormen van groepen en een ‘sluis’, waardoor Dutchbat een handelwijze van de Bosnische Serven gemakkelijker maakte die, naar Dutchbat wist althans moest weten, het reële risico in zich borg dat mannelijke vluchtelingen zouden worden blootgesteld aan een onmenselijke behandeling of executie’.

 

Causaliteit

Voor wat betreft de causaliteit maakt het Hof vervolgens onderscheid tussen de groepen vluchtelingen die in de ‘mini safe area’ (buiten de compound) verbleven en de vluchtelingen die echt op de compound van Dutchbat verbleven.
Ten aanzien van de eerste groep vluchtelingen overweegt het Hof dat het vereiste causaal verband ontbreekt, nu aannemelijk is dat de mannen die buiten de compound verbleven óók in handen van de Bosnische Serven zouden zijn gevallen en vermoord indien Dutchbat zich had onthouden van zijn onrechtmatig handelen tijdens de evacuatie. Opmerkelijk is dat het Hof aldus het bestaan van een schadevergoedingsplicht afwijst, maar vervolgens ‘vanwege het vergemakkelijken van de ernstige schendingen van fundamentele rechten’ wél een verklaring voor recht uitspreekt dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld. Dit als vorm van genoegdoening voor de schending waar Dutchbat bij betrokken was.

 

Over de tweede groep mannelijke vluchtelingen had de rechtbank geoordeeld dat met voldoende mate van zekerheid kan worden aangenomen dat zij het er levend vanaf hadden gebracht, als Dutchbat niet meegewerkt zou hebben aan de evacuatie. Het Hof deelt dit oordeel niet. ‘Niet met voldoende zekerheid valt vast te stellen wat er daadwerkelijk zou zijn gebeurd met de mannelijke vluchtelingen als zij op 13 juli 1995 op de compound hadden kunnen achterblijven.’ Alle argumenten tegen elkaar afwegend, bepaalt het Hof de kans dat de mannen aan de onmenselijke behandeling en executie door de Bosnische Serven waren ontkomen als zij op de VN-compound hadden kunnen blijven, op 30%. Door de mannen niet – onder verwijzing naar de risico’s die zij bij vertrek vanaf de compound zouden lopen – de keus te bieden om op 13 juli 1995 op de compound te blijven, heeft de Staat (Dutchbat) hun deze kans ontnomen. Het voorgaande betekent dus dat de nabestaanden van de mannen die op 13 juli 1995 op de compound verbleven, jegens de Staat aanspraak kunnen maken op een vergoeding van 30% van hun door het overlijden van de mannen veroorzaakte schade.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Contactgegevens

Nysingh advocaten-notarissenAfbeelding

Afbeelding

mr. P.L.G. Haccou (Patrick)

T 026 357 57 35

www.nysingh.nl

Meer nieuws

Afbeelding

Op de hoogte blijven? Volg Nysingh

Afbeelding Afbeelding Afbeelding

Afbeelding