of 59045 LinkedIn

Gesplitste besluitvorming

Reageer

Afbeeldingmr. M.J. Tunnissen (Mark)

 

ABRvS 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4473

Bij besluit van 5 november 2013 hebben burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen het door appellante gemaakte bezwaar alsnog gedeeltelijk gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen. Tevens heeft het daarbij aangegeven een uitgebreide procedure te starten ten einde de aangevraagde vergunning voor planologisch strijdig gebruik van gronden als beeldentuin alsnog te verlenen. Het daartegen door appellante ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard.

In hoger beroep betoogt appellante dat de rechtbank heeft miskend dat burgemeester en wethouders het bezwaar niet gedeeltelijk gegrond mocht verklaren en het primaire besluit herroepen, zonder dat het een aanvang heeft gemaakt met het volgen van de uitgebreide voorbereidingsprocedure ten behoeve van het nemen van het vervangend besluit.

 

Voor de beoordeling van het hoger beroep is van belang dat ingevolge artikel 7:10, eerste lid van de Awb het bestuursorgaan in dit geval beslist binnen zes weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Op grond van het derde lid kan het bestuursorgaan de beslissing voor ten hoogste zes weken verdagen en het vierde lid, aanhef en onder c bepaalt dat verder uitstel mogelijk is voor zover dit nodig is in verband met de naleving van wettelijke procedurevoorschriften.

 

De Afdeling overweegt dat het bij de rechtbank bestreden besluit bestaat uit een gegrondverklaring van het bezwaar en het herroepen van het primaire besluit, alsmede dat er geen nieuw besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning is genomen. Burgemeester en wethouders hebben de beslissing niet verdaagd. Evenmin hebben burgemeester en wethouders in de omstandigheid dat het met toepassing van artikel 3.10 van de Wabo een nieuw besluit op de aanvraag diende te nemen, aanleiding gezien om deze beslissing op grond van artikel 7:10, vierde lid, aanhef en onder c van de Awb uit te stellen. Dit brengt met zich dat burgemeester en wethouders ingevolge artikel 7:10, eerste lid van de Awb in samenhang gelezen met artikel 7:11 van de Awb – uit welk artikel voortvloeit dat als burgemeester en wethouders na heroverweging tot de conclusie komen dat het aangevochten besluit niet in stand kan blijven, zij, behoudens in het (zich hier niet voordoende) geval waarin enkele herroeping van dat besluit voldoende is, voor het onjuist bevonden besluit een nieuw besluit in de plaats stellen – gehouden waren om binnen zes weken een vervangend besluit te nemen. Dat binnen zes weken geen mogelijkheid bestond om de voorgeschreven wettelijke procedure te doorlopen, is geen aanleiding voor een ander oordeel. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen dient, als van de door de wet geboden mogelijkheid van uitstel geen gebruik wordt gemaakt, de voor het besluit geldende beslistermijn te worden nageleefd.

 

Voorts overweegt de Afdeling dat burgemeester en wethouders zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat er zich in onderhavige kwestie een uitzondering op de hoofdregel van artikel 7:11 van de Awb voordoet en dat geen vervangend besluit behoefde te worden genomen, omdat nog een wettelijke procedure diende te worden doorlopen. Aangezien artikel 7:10, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb, zoals deze geldt sinds 1 oktober 2009, de mogelijkheid voor uitstel van het nemen van een besluit biedt in verband met naleving van de wettelijke procedurevoorschriften, moet naar het oordeel van de Afdeling het aannemen van een uitzondering op de regel dat bij het nemen van het besluit op bezwaar een vervangend besluit dient te worden genomen, in strijd met de bedoeling van de wetgever worden geacht. Dit betekent dat het besluit van 5 november 2013 in strijd is met artikel 7:11 van de Awb. De Afdeling heeft burgemeester en wethouders met toepassing van de bestuurlijke lus opgedragen om dit gebrek te repareren.

 

Naschrift
De Afdeling overwoog in het (recente) verleden (zie bijvoorbeeld: ABRvS 11 juni 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD3617) dat uit het karakter van de bezwaarschriftprocedure voortvloeit dat, als het bestuursorgaan na heroverweging tot de conclusie komt dat het aangevochten besluit niet in stand kan blijven, het bestuursorgaan niet kan volstaan met (gedeeltelijke) gegrondverklaring van het bezwaarschrift, maar voor het onjuist bevonden besluit een nieuw besluit in de plaats moet stellen. In de situatie dat het nemen van een vervangend besluit nog niet mogelijk is, omdat alsnog een wettelijk voorgeschreven procedure dient te worden doorlopen, waarmede een geruime tijd kan zijn gemoeid, moest daarover naar het oordeel van de Afdeling anders worden geoordeeld. Op grond van deze jurisprudentie was gesplitste besluitvorming in bezwaar dus mogelijk als er eerst (alsnog) een wettelijk voorgeschreven procedure diende te worden doorlopen alvorens een vervangend besluit kon worden genomen.

 

Sinds 1 oktober 2009 voorziet artikel 7:10 van de Awb is de mogelijkheid om de termijn voor het nemen van een beslissing op bezwaar i) voor ten hoogste zes weken te verdagen én ii) verder uit te stellen. Van deze laatste mogelijkheid kan gebruik worden gemaakt als (verder) uitstel van de beslistermijn nodig is in verband met de naleving van wettelijke procedurevoorschriften (zie voor voorbeelden van wettelijke procedurevoorschriften: Kamerstukken II 2008-2009, 31 751, nr. 3, p. 7 en 8). Van dergelijke wettelijke procedurevoorschriften is, zoals blijkt uit voornoemde uitspraak van 10 december 2014, (ook) sprake als eerst nog een wettelijke procedure – i.c. de uitgebreide voorbereidingsprocedure als bedoeld in artikel 3.10 van de Wabo – moet worden doorlopen alvorens een (nieuwe) beslissing (op bezwaar) kan worden genomen. Het (alsnog) moeten doorlopen van een wettelijke procedure teneinde een (nieuwe) beslissing (op bezwaar) kan worden genomen, vormt dus geen uitzondering (meer) op de hoofdregel van artikel 7:11 van de Awb, welke hoofdregel inhoudt dat herroeping van het primaire besluit en het zo nodig nemen van een nieuw vervangend besluit gelijktijdig moet geschieden. Dit brengt met zich dat als er in een bezwaarprocedure nog geen vervangend besluit kan worden genomen, omdat eerst nog een wettelijke procedure moet worden doorlopen, het desbetreffende bestuursorgaan gebruik dient te maken van de mogelijkheden in artikel 7:10, derde en vierde lid van de Awb en de beslistermijn tijdig dient te verdagen en zonodig nog verder dient uit te stellen. Nadat de wettelijke procedure is doorlopen, dient vervolgens één nieuw besluit te worden genomen. Van gesplitste besluitvorming kan alsdan geen sprake meer zijn.

 

Tot besluit wijs ik er op dat de Afdeling in een uitspraak van 1 oktober 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3577) gesplitste besluitvorming in bezwaar (toch) heeft toegestaan in een kwestie waarin burgemeester en wethouders het bezwaar deels gegrond hadden verklaard, het primaire besluit gedeeltelijk hadden herroepen en de beslissing op de aanvraag om omgevingsvergunning voor de realisatie van het bouwplan hadden aangehouden tot na afronding van een bestemmingsplanprocedure. Hoewel ook (het volgen van) een bestemmingsplanprocedure in mijn optiek onder de naleving van wettelijke procedurevoorschriften als bedoeld in artikel 7:10, vierde lid, aanhef en onder c van de Awb moet worden geschaard, accepteerde de Afdeling een uitzondering op de hoofdregel van artikel 7:11 van de Awb dat er één vervangend besluit in bezwaar moet worden genomen.

 

In de kwestie die leidde tot de uitspraak van 1 oktober 2014 was van belang dat ten tijde van het nemen van de nieuwe (gesplitste) beslissing op bezwaar een reeds vastgesteld bestemmingsplan, dat het bouwplan mogelijk maakte, door de voorzitter van de Afdeling was geschorst én er op dat moment tevens een ander bestemmingsplan in voorbereiding was dat het bouwplan eveneens mogelijk maakte. Naar het oordeel van de Afdeling hebben burgemeester en wethouders zich, gelet op deze specifieke omstandigheden, bij het nemen van de nieuwe beslissing op bezwaar (toch) op het standpunt mogen stellen dat het nemen van een volledig vervangend besluit niet mogelijk is, dan nadat de bestemmingsplanprocedures zijn afgerond. De bestreden (gesplitste) beslissing op bezwaar, bestaande uit een gedeeltelijke herroeping en de verwijzing naar de gestarte bestemmingsplanprocedures, was in de gegeven omstandigheden niet in strijd met artikel 7:11 van de Awb. De Afdeling voegde hieraan toe dat deze wijze van besluitvorming naar haar aard met zich brengt dat enige onzekerheid bestaat over de uiteindelijke beslissing op het bezwaar, maar dat dit onder de hiervoor weergegeven omstandigheden niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Contactgegevens

Nysingh advocaten-notarissenAfbeelding

Afbeelding

mr. P.L.G. Haccou (Patrick)

T 026 357 57 35

www.nysingh.nl

Meer nieuws

 

Afbeelding

Op de hoogte blijven? Volg Nysingh

Afbeelding Afbeelding Afbeelding

Afbeelding