of 58959 LinkedIn

Geen lange maar korte verjaringstermijn bij schikking in proces-verbaal

Reageer

Afbeeldingmr. B. Veldman (Brigitte)

 

HR 27 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3423

Op grond van art. 3:324 BW verjaart de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke (of arbitrale) uitspraak door verloop van twintig jaar met ingang van de dag na de uitspraak. Uit dit arrest volgt dat een schikking die wordt neergelegd in een proces-verbaal niet onder het bereik van die (lange) verjaringstermijn valt. Een dergelijke schikking is volgens de Hoge Raad niet gelijk te stellen met een rechterlijke uitspraak als bedoeld in art. 3:324 BW. De omstandigheid dat de afgifte van het proces-verbaal in executoriale vorm geschiedt door een rechter maakt dat volgens de Hoge Raad niet anders. Nu de schikking de nakoming van een (vaststellings)overeenkomst inhoudt, geldt op grond van art. 3:307 lid 1 BW een verjaringstermijn van vijf jaar.

De feiten
A en B hebben in de jaren 2003 en 2004 een relatie met elkaar gehad. Gedurende die periode heeft A aan B diverse geldbedragen geleend. Ondanks verschillende toezeggingen heeft B de geleende bedragen niet terugbetaald. A heeft hierin aanleiding gezien conservatoir derdenbeslag te laten leggen onder de Staat tot zekerheid van verhaal van haar vordering ad € 150.000. A heeft B vervolgens in rechte betrokken. De procedure is geëindigd in een vaststellingsovereenkomst die is neergelegd in een proces-verbaal van 20 maart 2008. De getroffen regeling kwam erop neer dat B uiterlijk op 20 juli 2008 een bedrag van € 95.000 aan A zou betalen, waarna A het beslag zou (laten) opheffen. B is de vaststellingsovereenkomst echter niet nagekomen.

Zes jaar later, in 2014, is B een kort geding procedure gestart waarin hij vordert dat het door A gelegde beslag wordt opgeheven. B heeft daartoe aangevoerd dat zijn verplichting tot terugbetaling inmiddels is verjaard zodat de grondslag van het beslag is komen te vervallen. A heeft hiertegen ingebracht dat op die verplichting, die is vastgelegd in een proces-verbaal, ingevolge art. 3:324 BW een verjaringstermijn van twintig jaar van toepassing is. De voorzieningenrechter heeft dit verweer verworpen en heeft het beslag opgeheven. Het hof heeft dit vonnis bekrachtigd. Met de voorzieningenrechter was het hof van oordeel dat de rechtsvordering van A tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst na verloop van vijf jaar vanaf de opeisbaarheid daarvan (derhalve op 21 juli 2013) is verjaard.

Het oordeel van de Hoge Raad
De Hoge Raad gaat mee in het oordeel van het hof. De schikking tussen partijen is volgens de Hoge Raad niet gelijk te stellen met een rechterlijke uitspraak als bedoeld in art. 3:324 BW. Een schikking ter comparitie die in een (in executoriale vorm uit te geven) proces-verbaal wordt vastgelegd, is iets anders dan een toewijzing in een rechterlijke uitspraak. Zelfs als die schikking voor de eisende partij in zoverre positieve gevolgen heeft in die zin dat een deel van diens eis materieel wordt ingewilligd. Nu de in het proces-verbaal vastgelegde vordering van A een vordering uit overeenkomst is, geldt daarvoor ingevolge art. 3:307 lid 1 BW een verjaringstermijn van vijf jaar.

Tot slot
Dit arrest leert ons dat in geval van een in een proces-verbaal neergelegde schikking de korte verjaringstermijn van vijf jaar van toepassing is. Het is verstandig die termijn in de gaten te houden en, zo nodig, te stuiten. Stuiting kan door middel van een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin u zich ondubbelzinnig uw recht op nakoming voorbehoudt.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Contactgegevens

Nysingh advocaten-notarissenAfbeelding

Afbeelding

mr. P.L.G. Haccou (Patrick)

T 026 357 57 35

www.nysingh.nl

Meer nieuws

 

Afbeelding

Op de hoogte blijven? Volg Nysingh

Afbeelding Afbeelding Afbeelding

Afbeelding