of 58959 LinkedIn

Compensatie wegens schending van het vertrouwensbeginsel

Reageer

Afbeeldingmr. M.J. Tunnissen (Mark)

 

ABRvS 2 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3683

In deze uitspraak staat het toekennen van compensatie wegens het handelen in strijd met het vertrouwensbeginsel centraal. Wat was er aan de hand? Bij een drietal besluiten heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veghel appellanten A en B onder oplegging van een dwangsom gelast het aantal bewoners van een tweetal panden terug te brengen tot ofwel één afzonderlijk huishouden, dan wel een huishouden plus maximaal twee personen.

De rechtbank heeft het beroep in het kader van deze drie handhavingsbesluiten ongegrond verklaard. In hoger beroep betogen appellanten dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij erop mochten vertrouwen dat de toezeggingen van het college, dat het gebruik van de beide panden voor de huisvesting van arbeidsmigranten was toegestaan, zouden worden nagekomen en dat, gelet hierop, het college van handhavend optreden had behoren af te zien. Voorts betogen appellanten dat de rechtbank niet heeft onderkend dat handhavend optreden onevenredig is, nu het financiële belang bij het gewraakte gebruik van de panden zwaarder weegt dan de belangen van omwonenden om gevrijwaard te worden van overlast als gevolg daarvan. Indien hierover anders moet worden geoordeeld, geldt volgens appellanten dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de bestreden besluiten niet heeft mogen nemen zonder appellant A compensatie te bieden.

 

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend.


In onderhavige kwestie waren aan het college toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen gedaan, waaraan appellant A de gerechtvaardigde verwachting heeft kunnen ontlenen dat tegen het gebruik van de panden voor de huisvesting van arbeidsmigranten niet handhavend zal worden opgetreden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank echter terecht overwogen dat het vertrouwensbeginsel niet zo ver strekt dat gerechtvaardigde verwachtingen altijd moeten worden gehonoreerd. Er kunnen immers belangen aanwezig zijn die zwaarder wegen dan de belangen van degenen jegens wie de verwachtingen zijn gewekt, bij het honoreren van het gerechtvaardigde vertrouwen. Volgens de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college het belang van de omwonenden bij handhavend optreden tegen het met het bestemmingsplan strijdig gebruik van de panden heeft mogen laten prevaleren boven de belangen van appellanten bij voortzetting van dat gebruik.


Hoewel het college het belang van de omwonenden dus heeft mogen laten prevaleren boven de belangen van appellanten, had het college moeten nagaan of, en zo ja, in hoeverre aan appellant A enige vorm van compensatie moet worden geboden voor het handelen in strijd met het vertrouwensbeginsel. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college dit niet voldoende gedaan. Weliswaar had het college aan de bestreden besluiten een extern advies van een advocatenkantoor ten grondslag gelegd, maar in dit advies was geen aandacht besteed aan de stelling van appellant A dat de panden bij verkoop verliesgevend zullen zijn. Daar komt bij dat het college, door onverkort vast te houden aan het externe advies en appellant A niet te verzoeken om de volgens appellant A aangewezen compensatie deugdelijk te onderbouwen, bij de voorbereiding van de bestreden besluiten niet de nodige kennis heeft vergaard over de relevante feiten. Dat appellant A geen financiële gegevens heeft overgelegd en heeft verklaard zich voor vergoeding van geleden schade bij voorkeur tot de burgerlijke rechter te wenden, doet er naar het oordeel van de Afdeling niet aan af dat het college had behoren te onderzoeken, of appellant A dient te worden gecompenseerd voor het handelen in strijd met het vertrouwensbeginsel en de voor dat onderzoek benodigde gegevens bij appellant A had behoren op te vragen. De slotsom is dat de bestreden besluiten zijn genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

 

De uitspraak maakt in navolging van eerdere uitspraken, zoals de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AB0934, duidelijk dat schending van het vertrouwensbeginsel ertoe kan leiden dat enige vorm van nadeelcompensatie moet worden geboden. Uit deze uitspraak blijkt bovendien dat bestuursorganen zelf dienen te onderzoeken of tot compensatie moet worden overgaan en dat in het kader van dit onderzoek de benodigde gegevens moeten worden opgevraagd bij degene die nadeel leidt als gevolg van de schending van het gerechtvaardigde vertrouwen. Dat degene die nadeel leidt zelf geen financiële gegevens heeft overgelegd en/of te kennen geeft zich voor vergoeding van geleden schade bij voorkeur tot de burgerlijke rechter te wenden, ontslaat bestuursorganen niet van hun onderzoeksverplichting.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Contactgegevens

Nysingh advocaten-notarissenAfbeelding

Afbeelding

mr. P.L.G. Haccou (Patrick)

T 026 357 57 35

www.nysingh.nl

Meer nieuws

 

Afbeelding

Op de hoogte blijven? Volg Nysingh

Afbeelding Afbeelding Afbeelding

Afbeelding