of 59045 LinkedIn

Aanvangstijdstip verjaring in geval van niet-nakoming contractuele verbintenis

Reageer

Afbeeldingmr. B. Veldman (Brigitte)

 

HR 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2194

Om te voorkomen dat uw rechtsvordering verjaart, is het van belang de verschillende verjaringstermijnen goed in de gaten te houden. Hoofdregel is dat een rechtsvordering na verloop van twintig jaar verjaart, tenzij de wet anders bepaalt (zie art. 3:306 BW). Rechtsvorderingen tot nakoming van een contractuele verbintenis verjaren op grond van de wet na verloop van vijf jaar. Het aanvangstijdstip van de verjaring kan echter per geval verschillen. Uit dit arrest volgt dat in het geval een overeenkomst in het geheel niet wordt nagekomen, de verjaringstermijn begint te lopen nadat de vordering opeisbaar is geworden (zie art. 3:307 lid 1 BW). Bij een gedeeltelijke of anderszins gebrekkige nakoming vangt de verjaring evenwel aan nadat de schuldeiser met de tekortkoming bekend is geworden (zie art. 3:311 lid 1 BW).

De feiten
A en B zijn ex-partners. Ze hebben samengewoond in de woning van B, die is gelegen op twee percelen. Bij notariële akte van 9 mei 2001 heeft A perceel 2 met huis en tuin in eigendom verkregen. B heeft perceel 1, een strook grond met daarop een carport, behouden. Nadat de relatie in 2005 was beëindigd, heeft B de woning verlaten terwijl A er is blijven wonen. In 2010 heeft A gevorderd dat B wordt bevolen mee te werken aan de overdracht van perceel 1. In dat kader heeft A gesteld dat het in 2001 de bedoeling van partijen was om beide percelen aan haar over te dragen. B heeft die stelling betwist en heeft zich beroepen op bevrijdende verjaring.  De rechtbank en het hof hebben de vordering van A afgewezen.

 

De beoordeling van de Hoge Raad
De Hoge Raad stelt voorop dat in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat de overeenkomst van 2001 betrekking had op beide percelen. De Hoge Raad vervolgt:

“Zoals ook blijkt uit de memorie van toelichting bij de Invoeringswet Nieuw BW (…), moet art. 3:311 lid 1 BW worden beschouwd als een voorschrift dat voor (onder meer) een vordering tot herstel van een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis uit een overeenkomst een bijzondere regeling inhoudt ten opzichte van de algemene regeling van art. 3:307 BW. Het voornaamste verschil is gelegen in het aanvangstijdstip van de verjaringstermijn.
Het vorenstaande brengt mee dat art. 3:307 BW slechts van toepassing is op vorderingen tot nakoming van contractuele verbintenissen die in het geheel niet zijn nagekomen. Indien een zodanige verbintenis gedeeltelijk of anderszins gebrekkig is nagekomen, geldt de regeling van art. 3:311 lid 1 BW. Dat geldt ook indien de verschuldigde prestatie deelbaar is. Een andere opvatting zou afdoen aan de hanteerbaarheid van de verjaringsregeling en onder omstandigheden tekort doen aan de bescherming die de schuldeiser ontleent aan het in art. 3:311 lid 1 BW neergelegde aanvangstijdstip van de daar geregelde verjaring.”

 

Bij deze stand van zaken oordeelt de Hoge Raad dat met de overdracht in 2001 van perceel 2 de verbintenis tot overdracht gedeeltelijk is nagekomen, zodat de verjaring van de rechtsvordering tot nakoming van de verbintenis tot overdracht wordt beheerst door art. 3:311 lid 1 BW en niet door art. 3:307 lid 1 BW. Dat betekent dat de verjaringstermijn is gaan lopen vanaf het moment dat A bekend is geworden met de tekortkoming. Het hof Amsterdam zal na verwijzing moeten oordelen of het beroep van B op verjaring slaagt.

 

Tot slot
Wees erop bedacht dat de wet aparte verjaringsregelingen kent voor bijvoorbeeld koop (zie art. 7:23 BW) en aanneming van werk (zie art. 7:761 BW), waarbij een verjaringstermijn van twee jaar geldt.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Contactgegevens

Nysingh advocaten-notarissenAfbeelding

Afbeelding

mr. P.L.G. Haccou (Patrick)

T 026 357 57 35

www.nysingh.nl

Meer nieuws

 

Afbeelding

Op de hoogte blijven? Volg Nysingh

Afbeelding Afbeelding Afbeelding

Afbeelding