of 59167 LinkedIn

Aanvang verjaringstermijn van vordering wegens aansprakelijkheid op grond van de Beklamel-norm

Reageer

Afbeeldingmr. J.M. Fluitsma (Jonne)

 

Norm voor persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder voor schulden van een vennootschap is de zogeheten Beklamel-norm. Deze norm houdt kort gezegd in dat een bestuurder van een vennootschap onrechtmatig handelt wanneer hij bij het aangaan van een verplichting wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de door hem vertegenwoordigde vennootschap de uit die overeenkomst voortvloeiende verplichtingen niet zou (kunnen) nakomen. In deze uitspraak na verwijzing heeft het Hof ’s-Hertogenbosch geoordeeld over de aanvang van een verjaringstermijn van een vordering op basis van deze Beklamel-norm.

De feiten in deze zaak waren als volgt. A, bestuurder van een stichting, heeft in 1999 van B een lening ontvangen. A heeft deze lening aangewend om de overige schuldeisers van de stichting te voldoen. Toen B vanaf 2008 in overleg wilde treden met A over de wijze van aflossing, kreeg hij van de advocaat van A te horen dat de Stichting van B geen inkomsten meer had waaruit de vordering van B voldaan kon worden.


B heeft vervolgens in een juridische procedure op grond van de leningsovereenkomst betaling gevorderd van A. De rechtbank heeft de vordering van B toegewezen. B is tegen dit oordeel in beroep gegaan, waarbij hij zich op het standpunt stelde niet persoonlijk aansprakelijk te zijn en tevens beriep hij zich op verjaring. Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde vervolgens dat A aansprakelijk was op grond van de Beklamel-norm en dat van verjaring geen sprake was vanwege het feit dat de verjaring zou zijn gestuit (dit was echter niet aangevoerd door B).


In cassatie wordt tegen dit laatste oordeel opgekomen. De Hoge Raad vernietigt vervolgens het arrest van het Hof omdat zij – met het oordeel dat de verjaring zou zijn gestuit – buiten de grenzen van de rechtsstrijd zou zijn getreden. Na verwijzing moest volgens de Hoge Raad onderzocht worden op welk moment de verjaringstermijn van de vordering van B tegen A, die berust op onrechtmatige daad en waarvan de verjaring dus wordt beheerst door 3:310 BW, is gaan lopen.


Het Hof ’s-Hertogenbosch overweegt dat in het kader van 3:310 BW geldt dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart na 5 jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde met zowel de schade als de aansprakelijke persoon bekend is geworden. ‘Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad is een vermoeden van aansprakelijkheid niet voldoende. De verjaringstermijn begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon.’ Het Hof verwijst terzake naar: HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ4850 en HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM1688.

In het onderhavige geval moet worden vastgesteld wanneer B met de  Beklamel-fout van A, en de daaruit voortvloeiende schade, bekend is geraakt en daadwerkelijk in staat is geweest om een rechtsvordering in te stellen. Het Hof oordeelt vervolgens dat de rechtsvordering van B niet is verjaard. Op basis van de omstandigheden van het geval is niet aannemelijk geworden dat B over voldoende informatie beschikte om daadwerkelijk een rechtsvordering tot vergoeding van die schade in te stellen. Ten aanzien van dit oordeel overweegt het Hof dat het enkele feit dat de Stichting van A niet meer aan haar verplichtingen kon voldoen, niet betekent dat B op de hoogte was van de (persoonlijke) aansprakelijkheid van A. Ook het feit dat A de lening heeft aangewend om de schulden van de Stichting af te lossen maakt nog niet dat B bekend was met de fout.


Aldus lijkt, voor de aanvang van de verjaring van een rechtsvordering tot vergoeding van schade op grond van de Beklamel-norm vereist dat bekendheid bestaat met (de feiten waaruit blijkt dat) een bestuurder wist, of behoorde te weten dat de vennootschap niet meer aan hun verplichting zou (kunnen) voldoen.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Contactgegevens

Nysingh advocaten-notarissenAfbeelding

Afbeelding

mr. P.L.G. Haccou (Patrick)

T 026 357 57 35

www.nysingh.nl

Meer nieuws

 

Afbeelding

Op de hoogte blijven? Volg Nysingh

Afbeelding Afbeelding Afbeelding

Afbeelding