of 59221 LinkedIn

Voorschrift gemeentelijke verordening buiten toepassing wegens bijzonder geval

AfbeeldingOp 29 maart 2017 deed de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een interessante uitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:864). Volgens de Afdeling kan een bestuursorgaan onder omstandigheden gehouden zijn om een algemeen verbindend voorschrift – zoals een gemeentelijke verordening – buiten toepassing te laten, omdat toepassing in een bijzonder geval kennelijk onredelijk is. Eerder oordeelde de Afdeling dat al in een uitspraak van 21 oktober 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BK0774).

Kernoverweging

De kernoverweging van de uitspraak luidt als volgt: 

“5.1. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 21 oktober 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK0774, kan de rechter tot het oordeel komen dat, hoewel een algemeen verbindend voorschrift als zodanig niet jegens een ieder onverbindend is te achten, een bestuursorgaan - in dit geval het college - gehouden is dat voorschrift buiten toepassing te laten, omdat toepassing in een bijzonder geval kennelijk onredelijk is.”

 

Casus 

Vanwege deze overweging kwam een marktkoopman op de Haagse Markt met de schrik vrij, althans voor zover het de intrekking van zijn marktvergunning betrof. Eerder was aan hem een forse bestuurlijke boete opgelegd van € 12.000,- wegens het overtreden van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). In de kraam van de marktkoopman – een textielhandelaar – had een vreemdeling wat kleding recht gehangen en kort alleen in de marktkraam gestaan. Terwijl de marktkoopman korte tijd weg was, had de vreemdeling de kraam met een mop en water schoongemaakt. De marktkoopman had daartoe geen opdracht gegeven, zich er niet mee bemoeid en de vreemdeling ook niet voor deze werkzaamheden betaald. Zelf verklaarde de vreemdeling dat hij alleen een vriend had willen helpen, die wel in de marktkraam werkte. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde aan de marktkoopman de bestuurlijke boete op, wegens het overtreden van de Wav. Maar daar bleef het niet bij. Het college van burgemeester en wethouders trok op grond van de Marktverordening Den Haag 2013 de marktvergunning van de marktkoopman in. Daartoe was het college ook bevoegd, omdat het handelen in strijd met de Wav een intrekkingsgrond is volgens de marktverordening. Door de intrekking werd de marktkoopman tevens doorgehaald in het marktregister. De marktkoopman kon hooguit trachten in aanmerking te komen voor een nieuwe marktvergunning, vanaf vier jaar na de doorhaling in het marktregister.

De gevolgen voor de marktkoopman zijn ingrijpend. Hij is al zeer lang actief op de Haagse Markt en heeft een goede staat van dienst. Vanwege de intrekking van de marktvergunning en de doorhaling in het marktregister is het voor hem feitelijk onmogelijk geworden om nog terug te keren op de markt, aangezien het vrijwel uitgesloten is dat hij na vier jaar nog in aanmerking komt voor een nieuwe vergunning. Er is namelijk een overaanbod in de textielbranche. Daarnaast zijn de financiële gevolgen voor de marktkoopman groot. Het inkomen van hem en zijn vrouw is gedaald onder het bijstandsniveau en zijn spaargeld is opgesoupeerd. De marktkoopman heeft geld moeten lenen en tevens zijn hypotheek verhoogd om schulden af te kunnen lossen. Hij kan niet ergens anders een ambulante verkoopplaats voor de verkoop van kleding bemachtigen die ongeveer dezelfde opbrengsten oplevert.

 

Beoordeling Afdeling

Na de genoemde kernoverweging, vervolgt de Afdeling dat bij de beantwoording van de vraag of kennelijke onredelijkheid – om i.c. de marktvergunning in te trekken – zich voordoet, onder meer van belang kan zijn vanwege welke feiten en omstandigheden een Wav-overtreding is geconstateerd, welke gevolgen de intrekking in het concrete geval heeft en wat de overige omstandigheden in de individuele situatie zijn.

Aan de hand van dit toetsingskader stelt de Afdeling vast dat de gevolgen van de intrekking van de marktvergunning en de doorhaling in het marktregister voor de marktkoopman zo ingrijpend zijn, dat onder deze omstandigheden de toepassing door het college van de marktverordening kennelijk onredelijk is. Daarbij neemt de Afdeling allereerst de hiervoor genoemde omstandigheden in aanmerking, waaronder de Wav-boete is opgelegd. Die omstandigheden staan volgens de Afdeling niet in verhouding tot de feitelijke onmogelijkheid voor de marktkoopman om nog terug te keren op de markt en tot de grote financiële gevolgen voor hem en zijn vrouw. De Afdeling besluit met het oordeel dat daarom de marktverordening, vanwege de onevenredig nadelige gevolgen voor de marktkoopman, buiten toepassing moet worden gelaten. Het besluit tot intrekking van de marktvergunning is volgens de Afdeling genomen in strijd met artikel 3:4 lid 2 van de Awb. 

 

Gelijkenis met 4:84 Awb-rechtspraak

Het door de Afdeling in deze uitspraak geschetste toetsingskader vertoont een sterke gelijkenis met de beoordeling die een bestuursorgaan volgens de Afdeling moet verrichten in verband met de vraag of het toepassing dient te geven aan de “inherente afwijkingsbevoegdheid” van artikel 4:84 van de Awb. Zo beschouwd – in lijn met de uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2016, (ECLI:NL:RVS:2016:2840) – dient het bestuursorgaan ook bij de toepassing van zijn bevoegdheden op grond van een algemeen verbindend voorschrift, alle omstandigheden van het geval – óók omstandigheden die geacht moeten worden reeds te zijn verdisconteerd in het algemeen verbindend voorschrift – te betrekken in zijn beoordeling. Daarbij dient het bestuursorgaan te bezien of deze omstandigheden op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die maken dat het handelen overeenkomstig het algemeen verbindend voorschrift gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot daarmee te dienen doelen. Ik wijs ook op mijn eerdere blog over de laatstgenoemde uitspraak. Vanzelfsprekend is artikel 4:84 van de Awb niet van toepassing op een algemeen verbindend voorschrift, maar alleen op beleidsegels. De Afdeling baseert – zo blijkt uit de slotoverweging van de uitspraak – het geschetste toetsingskader op artikel 3:4 lid 2 van de Awb (het evenredigheidsbeginsel).

 

Lessen voor de praktijk

De uitspraak laat zien dat de Afdeling indringend toets of er omstandigheden zijn waaronder een algemeen verbindend voorschrift buiten toepassing dient te blijven. Dit strookt met de huidige koers van de Afdeling. Meer dan voorheen, verlangt de Afdeling van bestuursorganen dat zij bij de toepassing van bevoegdheden ingaan op alle omstandigheden die in een concreet geval (kunnen) pleiten tegen die toepassing. Het bestuursorgaan dient deze omstandigheden in zijn besluit inzichtelijk af te wegen tegen het belang dat in het concrete geval met de toepassing van de bevoegdheid is gediend. Volgt uit de belangenafweging dat toepassing in het concrete geval kennelijk onredelijk is, dan moet het bestuursorgaan het betreffende voorschrift buiten toepassing laten.

Tip: om inhoudelijk goed invulling te geven aan deze uitspraak – en in algemene zin, de huidige koers van de Afdeling – is het aan te raden dat een bestuursorgaan in zijn besluit expliciet de vraag beantwoordt of naar zijn oordeel een voorschrift wel of juist niet buiten toepassing moet worden gelaten, omdat toepassing in het concrete geval wel of niet kennelijk onredelijk is.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

AfbeeldingHekkelman advocaten en notarissen

Prins Bernhardstraat 1,

6521 AA Nijmegen

Postbus 1094,

6501 BB Nijmegen

T: 024 382 83 84

F: 024 360 04 50

www.hekkelman.nl

binnenlandsbestuur@hekkelman.nl

Meer nieuws

Bloggers

Nieuw: Vastgoed nieuwsbrief

Wilt u op de hoogte blijven van ontwikkelingen op het gebied van vastgoed?

 

Meld u dan hier aan.

Whitepapers

Publicaties

Agenda seminars

AfbeeldingHekkelman Advocaten & Notarissen houdt u op de hoogte van actuele ontwikkelingen. Zo organiseren wij regelmatig seminars om deze ontwikkelingen en onze kennis met u te delen.

 

Klik hier voor onze seminaragenda.

Bekijk ook onze partnerpagina op Ruimte & Milieu

Klik hier