of 59142 LinkedIn

Poging tot drugshandel onvoldoende voor sluiting ingevolge artikel 13b Opiumwet

AfbeeldingEen poging tot verkoop, aflevering of verstrekking van drugs vanuit een pand is onvoldoende voor het ontstaan van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 13b Opiumwet. Dat heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 12 april 2017 uitgemaakt (ECLI:NL:RVS:2017:993). Nog niet eerder maakte de Afdeling dit zo expliciet duidelijk.

Drugsvondst haven Antwerpen

In de haven van Antwerpen treffen Belgische autoriteiten in dozen met exotisch fruit, tussen de vruchten 40,7 kilogram cocaïne aan. De dozen zijn geadresseerd aan een onderneming in De Haag. Na overleg met de Nederlandse autoriteiten worden de dozen – inmiddels ontdaan van de cocaïne – gecontroleerd afgeleverd op het ABC terrein in Poeldijk. Daar worden de dozen opgehaald door de ondernemer en naar zijn bedrijfspand gereden. Als hij bij zijn bedrijfspand de dozen uitlaadt, wordt hij aangehouden.

 

De burgemeester van Den Haag besluit hierop om met toepassing van artikel 13b Opiumwet (Wet Damocles) het bedrijfspand van de ondernemer voor de duur van 12 maanden te sluiten. Hieraan legt hij de vondst van 40,7 kilogram cocaïne in de haven van Antwerpen ten grondslag. Volgens hem zou zonder het ingrijpen van de Belgische en Nederlandse autoriteiten de cocaïne het bedrijfspand daadwerkelijk hebben bereikt. Tevens merkt de burgemeester de hoeveelheid drugs en de persoonlijke betrokkenheid van de ondernemer bij het (veronderstelde) vervoeren van de drugs aan als verzwarende omstandigheden. Daarom heeft hij, in plaats van een standaard sluiting van 6 maanden, een sluiting van 12 maanden opgelegd.

 

Rechtsstrijd in hoger beroep

Nadat de rechtbank oordeelt dat de burgemeester niet bevoegd was om de bedrijfshal op grond van artikel 13b Opiumwet te sluiten, omdat volgens haar de tekst van dat artikel niet zodanig opgerekt kan worden dat een niet plaatsgevonden drugslevering een sluiting van een pand rechtvaardigt, zolang niet blijkt van drugshandel vanuit het pand, voert de burgemeester in hoger beroep bij de Afdeling het volgende aan:

 

  1. dat in het bedrijfspand geen drugs zijn aangetroffen maakt niet dat daarom geen sprake zou zijn van drugshandel of verkoop van drugs. Er zijn diverse aanwijzingen dat vanuit het bedrijfspand drugs zijn verhandeld of verkocht. De burgemeester wijst op enkele eerdere meldingen van drugshandel. Tevens wijst hij erop dat onder ‘verkopen’ als bedoeld in artikel 13b Opiumwet wordt verstaan: het totaal aan handelingen dat rechtstreeks tot de overdracht van het verkochte leidt. De geconstateerde handelingen kunnen volgens hem als zodanig worden gekwalificeerd.
  2. ook op grond van artikel 5:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) meent de burgemeester dat hij bevoegd was tot sluiting van het bedrijfspand, nu op grond van dit artikel een herstelsanctie ook preventief kan worden opgelegd, als een overtreding klaarblijkelijk dreigt. De burgemeester verwijst hiertoe naar de uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AX4387 (ik wijs in dit verband ook op de blog van mijn collega Merel Copier over de preventieve last onder dwangsom).

 

De Afdeling

De Afdeling volgt de burgemeester niet in zijn betoog. Volgens de Afdeling verleent artikel 13b lid 1 Opiumwet enkel de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang indien zich daadwerkelijke verkoop, aflevering of verstrekking van drugs voordoet. Klip en klaar overweegt de Afdeling:

“Een poging daartoe is onvoldoende. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs in (FP) een pand met zich  mee brengt dat aan artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang kan worden ontleend. Niet in geschil is dat in het bedrijfspand van [wederpartij] geen drugs zijn aangetroffen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat er verder geen aanwijzingen zijn van daadwerkelijke verkoop, aflevering of verstrekking.”

 

De meldingen en de in de haven van Antwerpen onderschepte lading die bestemd was voor het bedrijfspand, zijn volgens de Afdeling niet relevant voor de vraag of artikel 13b Opiumwet in dit geval mocht worden toegepast. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de reikwijdte van artikel 13b Opiumwet niet zodanig kan worden opgerekt dat ook een niet plaatsgevonden drugslevering sluiting rechtvaardigt. De burgemeester mocht daarom artikel 13b Opiumwet niet toepassen, aldus de Afdeling.

Ook voor toepassing van artikel 5:7 Awb ziet de Afdeling geen grond. Een preventieve herstelsanctie kan volgens de Afdeling slechts worden genomen als zich een gevaar voordoet van een concrete overtreding die met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal plaatsvinden. Bovendien moet die overtreding in een besluit kunnen worden omschreven met die mate van duidelijkheid, die uit een oogpunt van rechtszekerheid is vereist. Ook van zo’n situatie is volgens de Afdeling geen sprake. De drugs zijn immers in beslag genomen, zodat volgens de Afdeling een eventueel gevaar voor overtreding van de Opiumwet niet langer bestond.

 

Wetswijziging 13b Opiumwet

De uitspraak is op zichzelf al interessant, maar zeker ook in het licht van de ophanden zijnde wetswijziging van artikel 13b Opiumwet. Hierover blogde ik al eerder. Met deze wetswijziging wordt immers de sluitingsbevoegdheid uitgebreid naar strafbare voorbereidingshandelingen. Het is de vraag of de bovengenoemde situatie onder de toekomstige redactie van artikel 13b Opiumwet wel tot een sluiting van het bedrijfspand zou hebben kunnen leiden. Wat mij betreft is in dit geval duidelijk sprake van een voorbereidingshandeling. Niettemin geldt ook voor het toekomstige artikel 13b Opiumwet dat de sluitingsbevoegdheid van de burgemeester pas ontstaat indien in een pand “voorbereidingshandelingen” plaatsvinden. Volgens het wetsvoorstel komt het nieuwe artikel 13b Opiumwet namelijk als volgt te luiden: 

“1. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in (FP) een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf: 

a. […]; 

b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.”

Ook onder de nieuwe redactie van artikel 13b Opiumwet ligt een sluiting voor een geval als het onderhavige dan ook niet voor de hand.

 

Afronding

De uitspraak is mijns inziens zonneklaar en begrijpelijk. De uitspraak laat zien dat de rechtsontwikkeling rondom artikel 13b Opiumwet zich voortzet en nog niet op zijn eind is. Ik houd u graag op de hoogte van de laatste trends.

 

Contact

Indien u meer wenst te weten over artikel 13b Opiumwet of andere vraagstukken op het gebied van openbare orderecht, neemt u dan gerust vrijblijvend contact met mij op.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

AfbeeldingHekkelman advocaten en notarissen

Prins Bernhardstraat 1,

6521 AA Nijmegen

Postbus 1094,

6501 BB Nijmegen

T: 024 382 83 84

F: 024 360 04 50

www.hekkelman.nl

binnenlandsbestuur@hekkelman.nl

Meer nieuws

Nieuw: Vastgoed nieuwsbrief

Wilt u op de hoogte blijven van ontwikkelingen op het gebied van vastgoed?

 

Meld u dan hier aan.

Whitepapers

Agenda seminars

AfbeeldingHekkelman Advocaten & Notarissen houdt u op de hoogte van actuele ontwikkelingen. Zo organiseren wij regelmatig seminars om deze ontwikkelingen en onze kennis met u te delen.

 

Klik hier voor onze seminaragenda.

Publicaties