of 59054 LinkedIn

Wij van cultuur adviseren cultuur

Via sociale media en inspraakbijeenkomsten nodigen gemeenten burgers uit om mee te praten over lokaal cultuurbeleid. Werkt niet, constateert oud-wethouder cultuur Janita Tabak na onderzoek.

Via sociale media en inspraakbijeenkomsten nodigen gemeenten burgers uit om mee te praten over lokaal cultuurbeleid. Werkt niet, constateert oud-wethouder cultuur Janita Tabak na onderzoek. ‘Gemeenten gaan toch weer in gesprek met cultuurinstellingen.’

Kampen hoopte bij het vaststellen van de nieuwe cultuurnota in 2013 op meer inbreng van de eigen inwoners. ‘Er was een heel palet aan activiteiten ontwikkeld om burgers erbij te betrekken. Facebook, twitter, een congres. We hadden zelfs een zienswijze-traject opgezet’, zegt voormalig PvdA-wethouder cultuur Janita Tabak. ‘Als je achteraf kijkt hoe daar gebruik van is gemaakt, dan zijn het vooral weer de culturele instellingen zelf die mee hebben gepraat. Zo’n zienswijze indienen is ook best ingewikkeld, dat doen gewone inwoners helemaal niet.’

Dat dergelijke burgerparticipatie op lokaal niveau mislukt is geen uitzondering, ontdekte Tabak toen ze voor haar masterstudie kunstbeleid en management aan de Universiteit Utrecht een paar van die trajecten analyseerde. Neem Leiden, één van de casussen die ze onderzocht. De gemeente tuigde een heel inspraakcircus op, zodat ‘gewone’ burgers makkelijk mee konden praten over de inhoud van de cultuurnota 2012. Er kwam een speciale website (cultuur071), een startbijeenkomst, een videoboodschap van cultuurwethouder De Haan, een LinkedIn-groep, een twitterlunch: alles werd uit de kast gehaald om de zo gewenste ‘dialoog met de stad’ tot stand te brengen. Resultaat volgens Tabak: ‘De invloed van de burger op de cultuurnota was zeer beperkt en in verhouding tot de invloed van de cultuursector heel erg klein. Verreweg de meeste inbreng was afkomstig uit de cultuursector zelf. Die maakte volop gebruik van alle mogelijkheden, zoals de sociale media en de inspraakronde. Daarnaast waren er ook nog speciale bijeenkomsten voor de culturele sector georganiseerd die voor burgers niet toegankelijk waren.’

Ook in Bergen op Zoom bleek het vooral de culturele sector te zijn die veel input-kansen had ‘gehad en gepakt’. ‘En dat zie je terug in de eind-documenten.’ Tabak haalt de bekende commercial van wc-eend aan in haar thesis: ‘Daarbij adviseert een commissie van ‘onafhankelijke’ deskundigen, in dienst bij wc-eend, het eigen schoonmaakmiddel. “Wij van wc-eend adviseren wc-eend.”’

Tabak concludeert: ‘Gemeenten willen wel en proberen van alles, maar blijken in de praktijk toch steeds vooral in gesprek te gaan met de cultuursector zelf.’

Financieel belang
‘Lokaal cultuurbeleid gaat voor een groot gedeelte over subsidies’, zegt Tabak. ‘Gesubsidieerde instellingen willen hun subsidies behouden en niet gesubsidieerde partijen zoeken naar mogelijkheden om in aanmerking te komen voor subsidiëring. De deelname van de cultuursector wordt dus vooral gedreven door het financiële belang van de eigen instelling of vereniging. Dat zijn hele andere belangen dan die van de inwoners.’

Dat betekent volgens Tabak dat in de praktijk de usual suspects de touwtjes in handen hebben. ‘Dan blijft de nadruk voor subsidies dus liggen op de traditionele voorkeuren van de overheid, zoals toneel en muziek. Het is voor nieuwe spelers in het veld of voor nieuwe sectoren, erg moeilijk om daar tussen te komen. Festivals, cross-overs: dat moet dan maar uit de markt komen.’

De sector snijdt zichzelf in de vingers, voorspelt ze: ‘Als zij het aanbod blijven bepalen, worden de zalen steeds leger. Tot het laatste grijze hoofd is uitgestorven.’ Het beeld dat Tabak schetst is voor hem ‘één grote Aha-Erlebnis’, zegt Cor Wijn, beleidsadviseur bij BMC, die de afgelopen jaren een flink aantal gemeenten begeleidde bij zo’n interactief traject. ‘De co-productie van beleid is erg actueel, zeker als het gaat om cultuurbeleid. Gemeenten willen met meerdere actoren beleid maken. Niet omdat ze de expertise niet in huis zouden hebben, maar om draagvlak te creëren, of, als je cynisch bent: om te kunnen zeggen dat er draagvlak is.’

In de praktijk zijn het vooral de culturele instellingen zelf die vervolgens aanschuiven, erkent ook Wijn. ‘Het culturele veld praat altijd mee. Omdat ze deskundig zijn. En natuurlijk ook omdat ze hun eigen positie veilig willen stellen.’ Maar of ze daarmee ook de touwtjes in handen hebben en eigenlijk het beleid maken? Daar valt volgens Wijn nog wel wat op af te dingen. ‘Ze zitten wel aan tafel, maar worden tegenwoordig vooral gebruikt als middel om tot creatieve bezuinigingen te komen. Dan zit het bestuur van de bieb bij de wethouder omdat ze in plaats van acht, straks zes ton subsidie krijgen. En dan wil de wethouder weten: hoe gaan we het zo regelen dat jullie met minder geld toch geen filialen hoeven sluiten.’ Wijn: ‘Dan kun je toch niet stellen dat culturele instellingen leading zijn.’

Onbespreekbaar
Daar komt heel langzaam aan wat verandering in, ziet Appie Alferink. Hij is directeur van Zimihc, een Utrecht-se organisatie die amateurkunstenaars ondersteunt. ‘In Utrecht waren altijd de grote instellingen de baas: Centraal Museum, Vredenburg en de Stadsschouwburg, ik noemde het altijd de G3. Die regelden hun eigen subsidie. Het waren destijds natuurlijk ook gemeentelijke instellingen, maar ze zaten altijd overal bij. Ik heb weleens gezegd: pak daar wat subsidie van af en geef het aan nieuwe initiatieven. Dat was onbespreekbaar. Nu wil het college 20 procent van de subsidie aan nieuwe initiatieven besteden. Het was voor ons als instelling voor amateurkunst een enorme knokpartij om ertussen te komen, maar het is redelijk gelukt.’

Ook Utrecht maakt werk van burgerparticipatie en organiseert stadsgesprekken, over duurzaamheid en onlangs ook eentje over cultuur. Alferink: ‘De zaal zat vol met vertegenwoordigers van de bekende instellingen, allemaal blank en hoog opgeleid. Wij hadden twee gebruikers van onze voorzieningen meegenomen, de enige twee gewone burgers in de zaal.’

Alferink denkt dat de cultuurwereld bij participatie meer naar de infrastructuur van de sportwereld zou kunnen kijken. ‘Bij voetbal begint het met een voetbalkooi in de wijk, daar speelt iedereen mee, de sociale achtergrond doet er niet toe. Vanuit zo’n trapveldje kom je later bij een vereniging en als je goed bent word je gescout. Wij hebben in de wijken een soort culturele trapveldjes, daar komen gewone burgers in contact met cultuur en dan rolt het balletje vanzelf verder.’

Ook Cor Wijn trekt een parallel met de sportwereld. Hoe erg is het eigenlijk als burgers niet bij het lokale cultuurbeleid zijn betrokken, vraagt hij zich af. ‘Op sportgebied hoor je nooit dat burgers bij het beleid moeten worden betrokken. Volksvertegenwoordigers moeten toch de opinie van burgers kunnen vertolken? Dat kunnen ze op sportgebied blijkbaar prima, maar dat vinden ze op het gebied van cultuur ineens moeilijk. Cultuur, daar hangt de zweem van hoogdravende opinies en deskundigheid omheen. Politici lijken bang om daar iets over te zeggen. Ik vind dat raadsleden en wethouders zich meer moeten verdiepen in lokale cultuur en zich erover moeten durven uitspreken.’

Ander level
Dat burgers nu niet mee doen aan de participatietrajecten verbaast haar niet, zegt Tabak. Welke burger voelt zich nu geroepen om iets in te brengen bij dat soort raadplegingen? Tabak: ‘De meeste mensen weten heus niet hoe een beleidscyclus werkt en als ze dat niet weten, waarom zouden ze dan naar het stadhuis komen om mee te praten? De mode om kadernota’s te schrijven: dat is helemaal niet interessant voor burgers. Dat gaat niet over pegels maar over ambities. Dat heeft een hoog abstractieniveau en bevindt zich op een heel ander level dan waarop burgers mee willen denken.’

Tabak put hoop uit de nieuwe generatie theatermakers en kunstenaars, die niet via de gevestigde instellingen werkt. ‘Die worden al heel anders opgeleid. Ze doen op andere manieren aan marketing, ze maken gebruik van handige constructies om kunst te verknopen met andere disciplines. Een groep als The Young Ones in Zwolle legt verbindingen op lokaal gebied: ze maken producties, zijn een community en doen projecten in het sociaal en ruimtelijk domein. Zij pakken zelf hun rol in de samenleving.’


Tips om burgers bij cultuurbeleid te betrekken
Janita Tabak doet een aantal suggesties om meer inbreng van burgers te genereren:
1. Maak gescheiden participatieprocessen voor burgers en cultuurveld.

2. Beschouw de inbreng van cultuurconsumenten en cultuurprofs als gelijkwaardig en neem hun inbreng even serieus.

3. Werk met focusgroepen (bijvoorbeeld studenten, allochtonen, ouderen) om te voorkomen dat het vooral oudere blanke mannen zijn die reageren.

4. Verleid burgers om mee te doen, zorg dat ze wat kunnen ‘verdienen’ met hun deelname (theaterkaartjes, tegoedbonnen).

5. Koppel input terug en vertel wat je ermee gaat doen.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.