of 59054 LinkedIn

‘We zijn niet naïef’

Steeds meer gemeenten krijgen met jihadisten te maken. Ook wordt hun rol belangrijker bij het voorkomen van radicalisme. Hoofd terrorismebestrijding Dick Schoof over het belang van tegengeluid en de juridische kritiek van burgemeesters.

Steeds meer gemeenten krijgen met jihadisten te maken. Ook wordt hun rol belangrijker bij het voorkomen van radicalisme. Hoofd terrorismebestrijding Dick Schoof over het belang van tegengeluid, ‘exit-faciliteiten’ en de juridische kritiek van burgemeesters. ‘We zitten nog ruim binnen de grenzen van wat verantwoord is.’ 

Amper per een jaar geleden gaf Dick Schoof een eerste, uitgebreid interview aan Binnenlands Bestuur. Hij was drie maanden eerder begonnen als Nationaal Coördinator Terrorisme­bestrijding en Veiligheid (NCTV). Andere tijden. Het islamitische kalifaat bestond nog niet. Daardoor kon het gesprek met ‘terror Dick’ voor bijna de helft gaan over de jacht op ‘lone wolves’ als Karst T., de man die in Apeldoorn op de koninklijke familie wilde inrijden.

Nu draagt Nederland sinds een maand actief bij aan de oorlog tegen IS. Het dreigingsniveau voor een aanslag is onveranderd ‘substantieel’ en zal dat, naar het zich laat aanzien, voorlopig op z’n minst blijven. Dat vraagt om een intensiever beleid jegens uit Nederland afkomstige Syriëgangers, zoals dat ook spreekt uit het afgelopen augustus door de NCTV gepresenteerde ‘Actieprogramma integrale aanpak jihadisten’.

Naast opsporing en repressie komt daarin nu ook preventie als onderwerp naar voren: het voorkomen van radicalisering van potentiële jihadisten. Daarin ziet Schoof – hij zal het tijdens het interview meermaals benadrukken – een cruciale rol weggelegd voor gemeenten en de lokale gemeenschap als ‘oren en ogen van de samenleving’. Maar eerst de laatste cijfers.

Hoeveel uit Nederland afkomstige jihadisten zijn nu in Syrië en Noord-Irak actief?
‘Het laatste officiële cijfer dat wij hebben gegeven is 140. Dat aantal ga ik hier nu niet veranderen. Die 140 is het aantal dat is afgereisd. Er zijn er inmiddels achttien overleden, circa dertig keerden terug. Dus zullen er nog rond de honderd daar vechten. Tenminste, dat zijn de “gekenden”. We sluiten helemaal niet uit dat het er in de praktijk meer zijn.’

Tientallen meer, honderden?
‘Dat weet je niet. We denken dat we een redelijk beeld hebben. En dat het dus in werkelijkheid niet om het dubbele aantal gaat. Maar, om een Cruijffiaanse uitspraak te doen: wat je niet weet, weet je niet.’

Als we die 140 afzetten tegen buurlanden, doen we het dan goed in Nederland?
Luid lachend: ‘Je bedoelt of wij wel voldoende jongens voor de jihad leveren?’ Weer serieus: ‘Van de 28 landen in Europa zijn er negen die hiermee het meest te maken hebben. Daar zit Nederland gewoon bij. Wij zitten in de kopgroep, maar staan niet op de eerste plaats. Frankrijk en Engeland staan boven ons. Je ziet ook verschillen in de culturele achtergronden. Wij, en België ook, hebben veelal te maken met mensen van Marokkaanse origine. In Duitsland is het meer Turks. In Frankrijk komen de jihadgangers uit meerdere Noord-Afrikaanse landen en in Engeland is de situatie wéér anders. Alle landen hebben eigen policy’s, die overigens veel op elkaar lijken. We worden over de hele linie repressiever én geven meer aandacht geven aan preventie. Tegelijk zie je dat we de jihad-beweging als zodanig niet volledig kunnen stoppen. Nog steeds gaan er vanuit Nederland mensen naar Syrië. En dat gebeurt in alle ons omliggende landen ook.’

Risico-gemeenten
Al sinds de eerste Nederlandse Syriëgangers voert Schoof overleg met de burgemeesters van een aantal risico-gemeenten als Den Haag, Gouda en Delft. Ja, het aantal daarbij betrokken gemeenten neemt nog steeds toe, vertelt Schoof. ‘Arnhem bijvoorbeeld zat er eerst niet bij. En we hebben naderhand ook de G4 gevraagd om deel te nemen.’ Niet omdat er in Amsterdam of Utrecht concrete aanwijzingen zijn voor het bestaan van meerdere Syriëgangers, haast hij zich te zeggen. ‘Maar omdat we in toenemende mate willen onderzoeken wie de handlangers en sympathisanten zijn. Om zo in het voortraject van de radicalisering te komen. En als je kijkt naar het aantal mensen van niet-Nederlandse afkomst, dan is het belangrijk om de G4 daarin mee te nemen.’

Staan de gemeenten daar in deze drukke decentralisatietijden voor open?
‘Wij komen slechts zelden in gemeenten waar men dit probleem niet ook zelf ziet. Dat is logisch. Een wijkagent, opbouwwerker, schooldirecteur of burgemeester weet echt zelf ook wel wanneer er binnen de gemeente iets broeit. De vraag of daar een Syriëganger bij zit, ja, daar willen we een gemeente nog weleens mee verrassen. Maar ook dan merken we in de directe contacten met de burgemeester dat men het vraagstuk dondersgoed begrijpt.’

Dat geldt, bemerkt hij, nog niet altijd en overal voor het vervolgtraject: de aanpak van extremistische broeinesten. ‘Daar zijn we nu met de directeuren openbare veiligheid en de burgemeesters volop mee bezig. En daarover praten we ook in de commissie veiligheid van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Je moet niet met een generiek programma alle vierhonderd gemeenten lastigvallen maar kijken naar de behoefte van elke individuele gemeente. En ja, dus ook gemeenten aanspreken die naar ons idee wel iets meer zouden kunnen doen.’

Voor hoeveel gemeenten vormt radicalisering een reële bedreiging?
‘Dat is een enorm lastige vraag. Met tien gemeenten onderhouden wij nu doorlopend contact, waarbinnen de G4 een aparte categorie is. Maar die zijn op hun beurt zelf ook weer goed in staat om hun directe buurgemeenten erbij te betrekken. Dus het speelt zeker in meer dan tien gemeenten. Ook die 140 jihadgangers zijn immers over meer gemeenten verspreid. Verder doe ik daar geen uitlatingen over. Het werkt snel stigmatiserend. Het is aan gemeenten zelf om het probleem bekend te maken; wij willen hun niet dat etiket opplakken.’

Moskeeën
In het ‘Actieprogramma integrale aanpak jihadisten’ vormt het organiseren van ‘tegengeluid’ een belangrijke opdracht voor gemeenten. Zo moet de voedingsbodem voor ontspruitend jihadisme worden aangepakt. Een mooi plan, maar het is allemaal nog net te vers, zegt Schoof, voor inspirerende lokale voorbeelden. ‘Wel is een aantal gemeenten bezig om daar conferenties over te organiseren.’ Graag wil hij wel het beeld bijstellen dat moskeeën de broedplaats van het radicalisme zouden zijn. ‘Sterker nog: zij nemen al een deel van dat tegen­geluid voor hun rekening en hebben op mogelijke jihadisten juist een dempende werking.’

Hij noemt het overigens een lastig lokaal uit te voeren opdracht: tegengeluid organiseren. ‘Jongeren die radicaliseren, die vervreemden van iedereen en alles. Van hun ouders, van hun geloofsgemeenschap, van hun vrienden. Ze zoeken nieuwe vrienden die het met hen eens zijn. Het leidt tot sekte-achtig gedrag, waarbij je ze gaandeweg met dat tegengeluid steeds moeilijker bereikt.’

Om die reden zou Schoof het tegengeluid misschien wel vooral op internet willen laten klinken. ‘Dat is een enorme bron van radicalisering en het bevestigen van het eigen gelijk. Als je op internet zoekt naar jihad, moslim of islam, dan is 80 tot 90 procent van de teksten fundamentalistisch. Wij moeten ons als overheid niet willen mengen in de vraag wie er gelijk heeft. Maar we kunnen wel het debat erover aanzwengelen.’

Een andere belangrijke rol voor gemeenten is weggelegd bij de zogenaamde ‘exit-faciliteit’, een zorgvuldig begeleide uittredingsprocedure voor (potentiële) jihadisten. Schoof: ‘Het contact met iemand die bereid is uit de jihad te stappen, dat kan alleen in z’n lokale omgeving gebeuren. Wij kunnen daar de instrumenten voor aanleveren. En de rest doet de gemeente in samenspraak met lokale partijen. Het heeft geen zin om voor vierhonderd gemeenten een uniforme exit-faciliteit op te tuigen. Dan wordt die misschien in 399 gemeenten niet gebruikt. Dat gaan we dus ook dedicated doen, vanuit een lokaal signaal dat iemand op het punt staat of de verkeerde of de goede kant op te gaan. Dankzij de exit-faciliteit kunnen we hem, want het zijn bijna altijd jongens, terugkrijgen in de normale wereld.’

Springplank
Als hét internationale voorbeeld geldt Aarhus, ooit een veelgebruikte springplank voor jihadisten. Sinds de Deense stad teruggekeerde Syriëgangers meteen begeleiding naar werk of school aanbood in plaats van een strafrechtelijk vervolgtraject, is er in ruim een jaar geen jihadist meer uit Aarhus afgereisd. Schoof zegt de specifieke aanpak van Aarhus niet te kennen, maar stelt  dat ook in Nederland in sommige gevallen een vergelijkbare aanpak niet wordt uitgesloten. ‘Wij assessen eerst iedereen bij terugkomst. Als wij het gevoel hebben dat lokaal maatwerk de betreffende  jongen vooruithelpt, dan zullen we dat absoluut doen. Daar bestaat geen terughoudendheid in. Maar we gaan dit pakket niet standaard aan elke terugkeerder aanbieden. Wij zijn niet naïef. Er gaat van deze jongens een groot potentieel risico uit. Dus zul je ze ook heel nauwlettend moeten volgen.’

Een – waar nodig – harde aanpak, dus. Té hard, opperen sommige burgemeesters weleens in de media. Schoof cum suis zouden geregeld hun toevlucht moeten nemen tot bestuursrechtelijke maatregelen als strafrechtelijke kennelijk onvoldoende soelaas bieden. En daarmee worden de principes van de rechtsstaat volgens de burgemeesters soms met voeten getreden.

Principes
Schoof: ‘We werken eraan om, als handreiking aan gemeenten, de juridische basis voor bestuurlijk optreden te verbreden. Op verzoek van de burgemeesters doen we als centrale overheid onderzoek naar wat we kunnen doen met de ISD-maatregel (inrichting voor stelselmatige daders, die het makkelijker maakt om veelplegers op te sluiten / red.). Je moet niet een bestuursrechtelijke maatregel inzetten omdat het strafrechtelijke pad zo ingewikkeld is. Dat druist in tegen de principes van onze rechtstaat. Maar in mijn beleving zitten we nog ruim binnen de grenzen van wat verantwoord is. Dus nee, we bedienen ons zeker niet van dezelfde methodes als diegenen die we bestrijden.’

De strijd tegen IS belooft er een van lange adem te worden. Tot nu toe blijft Nederland aanslagen of – voor zover bekend – serieuze dreiging gespaard. Hoe denkt u de betrokken gemeenten over langere tijd scherp te houden?
‘Al ben ik een optimist, ik vrees dat de internationale werkelijkheid dat vanzelf wel voor ons regelt’, zegt hij. ‘En ook uit de gesprekken met burgemeesters die ik de afgelopen tijd heb gevoerd, merk ik dat men niet denkt dat dit snel voorbij is. Zowel in termen van potentiële aanslagen als van oplopende spanningen tussen diverse bevolkingsgroepen. De verbondenheid tussen de burgemeesters en ons blijft de komende jaren heel sterk.’

Daarbij worden gemeenten zelfs al concreet voor een aanslag klaargestoomd. Schoof: ‘Dat zijn we aan onze stand verplicht, al maken we niet te veel over bekend. Dat zou suggereren dat we meer kennis hebben dan we hebben. Maar we willen goed voorbereid zijn. Want, al klinkt het wat flauw, een aanslag zal uiteindelijk altijd in een gemeente plaatsvinden.’

In een recente publicatie van Schoofs eigen NCTV vergeleek de publicist Paul Scheffer IS met (voormalige) terreurbewegingen als de ETA en Rote Armee Fraktion. Weliswaar hadden hun daden soms ingrijpende gevolgen maar toch bleken ze, aldus Scheffer, uiteindelijk niet in staat onze westerse samenleving ‘existentieel te ontwrichten’. Bent u ten aanzien van IS even optimistisch?
‘Ik vind de vergelijking die Scheffer treft niet helemaal juist’, antwoordt hij na enige bedenktijd. ‘De ETA en de Rote Armee Fraktion werkten op regionale basis. Wij hebben nu te maken met een conglomeraat van bewegingen dat uit is op grootschalige vernietiging van alle zaken waar wij hier in het Westen voor staan. Ik hoop dat Scheffer gelijk krijgt. Maar dat mag geen excuus zijn om niet te handelen. Uiteindelijk gaat terrorisme om het zaaien van angst. En angst kan wel degelijk enorm ontwrichtend werken. Dat is voor ons, en voor de gemeenten, een extra reden om actief en alert te zijn. En ervoor te zorgen dat die angst geen grip krijgt op onze samenleving.’

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.