Waakhond over onkreukbaarheid
Harm Trip weet het nog goed, hoe het voelt om zelf door de Rijksrecherche te worden gehoord. Het overkwam hem in 1983, net begonnen als inspecteur-rechercheur in het Haagse Laakkwartier. Bij een huiszoeking zouden spullen zijn verduisterd en de zaak werd tot de bodem uitgezocht.
'Ik moest bij mijn chef komen en die vertelde dat ik ook zou worden gehoord. Tja, dan schrik je wel even. Ik dacht: wow! De Rijksrecherche...!' Het onderzoek toonde aan dat het verhaal van de aangever verzonnen was. 'Hij was er alleen op uit geweest om de politie een poot uit te draaien.
Ik vind dat nog altijd een mooi voorbeeld van het feit dat een onderzoek van de Rijksrecherche heel vervelend kan uitpakken als er iets aan de hand is, maar dat het aan de andere kant juist zeer prettig is als het tegendeel kan worden aangetoond. Ik zeg daarom altijd: 'Als er ooit allerlei beschuldigingen over mij in de wereld komen - en dat kan iedereen overkomen - heb ik graag dat de Rijksrecherche langs komt om de zaak te onderzoeken. Als ik niets te verbergen heb, zie ik graag dat dat wordt aangetoond.'
In de samenleving zal in zo'n geval al gauw worden geconcludeerd dat de politie de hand weer boven het hoofd wordt gehouden. Zie bijvoorbeeld de reactie indertijd in Den Bosch, waar een agent vrijuit ging nadat hij iemand had neergeschoten.
'De beslissing of iemand al dan niet wordt vervolgd, is een zaak van de officier van justitie. Wij zetten alleen de feiten op een rij. Wij hebben er vaak wel een mening over - en uiten die tijdens het onderzoek ook wel eens aan de officier van justitie - maar uiteindelijk is het niet aan ons om te bepalen of iemand al dan niet moet worden vervolgd. Wij stellen alleen vast of er sprake is van een strafbaar feit.
Onafhankelijkheid is onze core business, al spreek ik eigenlijk liever van onpartijdigheid. We zijn er heel erg fel op om die onpartijdige positie te bewaken. We zijn onderdeel van het Openbaar Ministerie, niet van de politie. Veel rijksrechercheurs zijn afkomstig van de politie, we voelen ons ook wel politiebeambten, maar mijn baas is niet een hoofdcommissaris van politie, maar het college van Procureurs-Generaal. Onze positie kan in de beeldvorming overigens soms lastig zijn, want als er binnen het Openbaar Ministerie iets mis is, zijn wij degenen die dat onderzoeken. Maar ook dan is objectiviteit en distantie noodzakelijk.'
Hoe is het gesteld met de integriteit in Nederland?
'Ik denk dat Nederland een keurig net, integer en fatsoenlijk land is. Ik heb me zeven jaar bezig gehouden met internationale rechtshulp en heb dus vergelijkingsmateriaal. We zijn trouwens een van de weinige landen die een Rijksrecherche hebben, onafhankelijk van de politie. We hoeven ons hier niet te schamen. Ik zeg er wel bij: het is geen rustig bezit. Als je niks doet, kalft je integriteit af. Want macht corrumpeert.'
En wat zijn de bedreigingen?
'De complexer wordende samenleving waar machten en krachten steeds meer mogelijkheden hebben om in een grijs gebied linksaf of rechtsaf te slaan. Om een voorbeeld te noemen, vroeger was een notaris een meneer, een instituut. Tegenwoordig is hij een ondernemer met commerciële belangen.
Ik beweer uiteraard niet dat het notariaat niet betrouwbaar is, maar wél dat het vak een andere dimensie heeft gekregen. Hetzelfde geldt voor woningcorporaties. Vroeger hadden die vooral een sociale functie, tegenwoordig zijn het mega-bedrijven waar mensen werken met marktconforme salarissen. Andere belangen spelen een rol en dat brengt risico's met zich mee. Tegelijkertijd zie je dat er steeds meer integriteitbewakers komen. De integriteitsmarkt is booming.'
Hoe kan het dat vijftig procent van de Rijksrechercheonderzoeken betrekking heeft op de politie, terwijl er veel meer mensen werkzaam zijn in het openbaar bestuur?
'Vooropgesteld, de politie staat in de frontlinie van de samenleving en is daarmee sneller onderhevig aan corruptieve elementen. Bovendien nemen ze integriteit binnen de politie zeer serieus. Maar daarnaast is het de vraag of we voldoende meldingen krijgen van provincies, gemeenten en rijk. Het zouden er veel meer moeten zijn denk ik, de verhouding ligt scheef.
In 2006 hebben we via het openbaar ministerie 357 meldingen binnengekregen vanuit de politiesector en 63 meldingen vanuit gemeenten en de overige sectoren van het openbaar bestuur. Van die laatste groep zijn uiteindelijk 21 onderzoeken betreffende lekken, valsheid in geschrifte en corruptie aangeboden aan de Coördinatiecommissie Rijksrecherche, drie zijn er afgewezen.
Hoewel de overheid wel verplicht is aangifte te doen bij vermoeden van strafbare feiten, gebeurt dat helaas lang niet altijd. Gevolg is dat juist die overheden die heel actief bezig zijn op het gebied van integriteit soms een slechte naam krijgen omdat de cijfers van schendingen van integriteit daar zo hoog zijn.
Terwijl dat alleen maar komt omdat ze de zaken goed hebben geregeld en er dus veel meer boven tafel komt. Defensie en het ministerie van Verkeer en Waterstaat zijn daarvan goede voorbeelden. De gemeente Amsterdam trouwens ook, die een eigen Bureau Integriteit heeft. Een initiatief dat ik zeer toejuich, al is het maar vanwege de preventieve werking die er van uitgaat.'
Er zijn veel overheden die er voor kiezen om particuliere opsporingsbureaus in te schakelen. Wat vindt u daarvan?
'Dat ligt er aan. De Rijksrecherche kan niet alles aanpakken dus is die keuze heel terecht. Maar het wordt lastig als vervolgens uit zo'n onderzoek van het bureau blijkt dat het een hele ernstige zaak is en wij er alsnog worden bijgehaald. Dan krijgen wij een afgekloven onderzoek op ons bordje, met getuigen die al zijn beïnvloed, bewijzen die zijn verdwenen, noem maar op. Wij moeten dan maar zien te redden wat er nog te redden valt. Ik zou dus heel graag willen dat een overheid - voordat die zo'n bureau inschakelt - vooraf eerst eens contact zoekt met het Openbaar Ministerie voor advies en overleg.'
Waarom doen gemeenten dat niet altijd, denkt u?
'Dat is een kwestie van onbekendheid, van onwetendheid en misschien ook angst. Men is bang voor publiciteit, terwijl die juist kan helpen om de rest van de organisatie bewust te maken. Als mijn collega on-integer is, raakt dat mij ook want ik ben onderdeel van diezelfde organisatie. Ik zou dus zeggen: laat gemeenten en provincies de zaken vooral transparant maken en als er iets speelt advies vragen bij iemand die verstand heeft van opsporen. Dat kan de officier van justitie zijn, maar ook de lokale politiechef. Dan kunnen we vóóraf overleggen hoe we de zaken gaan aanpakken.'
Wij krijgen de indruk dat bestuurders tegenwoordig wel erg snel aangifte doen, bijvoorbeeld als er weer eens iemand een geheim zou hebben gelekt.
'Vindt u dat niet ernstig dan? Ambtenaren hebben een ambtseed en het laten lekken van informatie die als geheim is bestempeld, is een strafbaar feit. Het tast de integriteit van de hele overheid aan. In deze gevallen beginnen we overigens altijd met een oriënterend onderzoek.
Wat ons daarbij vaak opvalt, is dat de kring van mensen die toegang kunnen hebben tot geheime documenten vaak veel groter is dan je aanvankelijk denkt. Soms zit dat in basale dingen. Zo'n modern kopieerapparaat met een geheugen dat - als je dat niet hebt gewist - een uur later met één druk op de knop precies dezelfde documenten nog eens uitdraait.
Of vertrouwelijke e-mails die via een hotmail-adres worden verstuurd. Als blijkt dat wel honderd mensen toegang tot de informatie kunnen hebben gehad, dan vraagt een onderzoek heel veel capaciteit. In zo'n geval kan ik de Coördinatiecommissie Rijksrecherche wel eens het advies geven dit onderzoek misschien maar niet te doen.'
Wat we bedoelen is dat we de indruk hebben dat sommige burgemeesters de Rijksrecherche in dit soort gevallen gebruiken als afschrikking, een machtsmiddel om lokaal-bestuurlijke doeleinden te bereiken. Eén keer de Rijksrecherche erbij en iedereen houdt zich daarna drie jaar koest.
'Uiteindelijk bepaalt het Openbaar Ministerie of het onderzoek er komt of niet. Maar het is beslist niet een kwestie van: de burgemeester vraagt en wij draaien.'
De Rijksrecherche werkt met 115 fte's. Is dat wel voldoende?
'Een paar jaar geleden kwam het voor dat we veel meer werk hadden dan we aankonden. Soms bleven er honderden zaken op de plank liggen. Dat is nu niet meer zo. Op voorstel van mijn voorganger Dick Pijl zijn er door het College van Procureurs Generaal nieuwe inzetcriteria vastgesteld. Dat heeft heel goed inzichtelijk gemaakt welke onderzoeken Rijksrecherchewaardig zijn en welke niet.
De lat ligt nu veel hoger, en dat kan ook omdat bijna alle politieregio's tegenwoordig beschikken over eigen onderzoeksbureaus, de zogeheten BIO's. Daar werken we nauw mee samen. De Rijksrecherche komt in actie als overheidsfunctionarissen worden verdacht van een strafbaar feit dat de integriteit van de overheid ernstig kan aantasten.
Bij politie-schietincidenten waarbij iemand getroffen is, komen we altijd in actie. Dat geldt ook als er iemand overlijdt in een politiecel. Maar voor een onderzoek naar een ambtenaar die een portemonnee steelt van een collega moet de Rijksrecherche niet komen. Dat moet een gemeente zelf, de lokale politie of een bedrijfsrecherchebureau maar doen. Toch zou een bescheiden uitbreiding van onze formatie wel in de rede liggen. Daarover ben ik met het College van Procureurs Generaal in gesprek.'
Waarom?
'De eisen die aan opsporend Nederland worden gesteld, komen steeds hoger te liggen. De Rijksrecherche bestaat van oudsher uit zeer goed opgeleide mensen, wat dat betreft hebben ze een voorsprong op de gemiddelde rechercheur.
Maar om die voorsprong te behouden, moeten we onze mensen wel telkens opnieuw opleiden en bijscholen. En dat kost capaciteit. Bovendien is de mobiliteit veel groter geworden. Vroeger ging je aan het einde van je loopbaan naar de Rijksrecherche en bleef daar tot je pensioen.
Tegenwoordig komen de mensen veel jonger, de jongste rijksrechercheur is 34 jaar, en gaan ze eerder weer weg. Die ontwikkeling juich ik toe, maar het betekent wel dat je voortdurend nieuwe mensen moet bijscholen. En rechercheurs die op school zitten, kunnen niet worden ingezet voor opsporing.'
Wat zijn uw doelen voor de komende jaren?
'Een van de zaken die ik in de komende jaren graag verder wil ontwikkelen, is de samenwerking met andere opsporingspartners. Fraudezaken, digitale onderzoeken enzovoort vragen veel specialistische kennis en bovendien wordt de regelgeving steeds ingewikkelder.
We hebben partners nodig om dat soort dingen goed aan te kunnen pakken en dan denk ik in de eerste plaats aan bijzondere opsporingsdiensten als de Fiod, de Siod en de Iod, naast de BIO's met wie we nu al veel zaken doen. En het aantal meldingen vanuit het openbaar bestuur moet omhoog.'
Wat heeft u zelf met integriteit?
'Wat ik net al zei: Nederland is een prettig land om in te leven en je hoeft niet bang te zijn dat je door de overheid een oor wordt aangenaaid. Je kunt vertrouwen op de overheid. Dat moeten we zo houden. Ik vind daarom dat mijn rechercheurs zelf absoluut integer moeten zijn. We zitten in een glazen huis en moeten proberen Roomser dan de Paus te zijn.
Stel je toch eens voor dat er twijfel zou ontstaan aan de integriteit van de Rijksrecherche.... terwijl wij natuurlijk ook maar gewoon mensen zijn. Ook wij vullen declaratieformulieren in, om maar eens wat te noemen. Wie bij ons wil werken, moet iets met het onderwerp integriteit hebben.
Een zeker idealisme mag hem niet vreemd zijn. Je gaat hier niet werken om de populariteitsprijs te winnen. Je komt immers niet altijd leuk ergens binnen als je een onderzoek doet. Vaak stuiten we op - wat een collega van mij zo mooi een blue wall of silence noemt. Het is dan de kunst als rijksrechercheur om toch die informatie te krijgen die we nodig hebben.'
Harm Trip
Harm Trip werd geboren op 15 mei 1959 te Utrecht. Na de politieacademie te hebben voltooid, ging hij als inspecteur-rechercheur aan het werk bij de politie Haaglanden, waar hij zeventien jaar bleef in allerlei functies. Hij hield zich bezig met fraude, zware criminaliteit, zedenmisdrijven, werkte voor de technische recherche en was plaatsvervangend districtschef. Daarnaast was hij nog hoofd van het interne onderzoeksbureau van de politie Haaglanden.
In 2000 maakte hij de overstap naar de KLPD en was hij verantwoordelijk voor het faciliteren van internationale rechtshulpverzoeken. In die hoedanigheid was hij verantwoordelijk voor het Nederlandse deel van Interpol en Europol. Sinds februari van dit jaar is Trip directeur van de Rijksrecherche.