of 58959 LinkedIn

‘Nederland? Nooit van gehoord’

© Sake Rijpkema
© Sake Rijpkema

Als je Yana Hovhannisyan (37) vraagt waar ze vandaan komt, antwoordt ze: Azerbeidzjan. Maar een Azerbeidzjaanse is ze niet, zegt ze. Hoe kan zoiets? Het vierde portret in een serie over ex-vluchtelingen die werk vonden in de publieke sector.

Goed geland: Een serie over vluchtelingen die carrière maken in de publieke sector.

Hovhannisyan groeit op in Azerbeid­zjan, dan een USSR-republiek en tweemaal zo groot als Nederland, met de helft zo weinig inwoners. Ze heeft een fijne, onbezorgde jeugd in Bakoe, de latere hoofdstad van het onafhankelijke Azerbeid­zjan, gelegen aan de Kaspische Zee. Nóg ziet ze de heuvels op de achtergrond voor zich – uitlopers van de Kaukasus. En later hoort ze vaker van haar moeder dat ze – zo jong als ze was – met haar poppen het liefst zustertje speelde; een voorteken.

‘Ik ben opgeroeid in de Sovjet-tijd’, zegt Hovhannisyan: ‘Geen vrijheid van meningsuiting dus, maar als kind ontgaat je zoiets.’ Ze herinnert zich het Armeense kerkje in Bakoe, van het christelijk geloof dat ze thuis beleden, en ze herinnert zich andere gezindten: moslims – veruit in de meerderheid – joden ook. En alles en iedereen leefde vreedzaam naast en met elkaar.

Dan, eind jaren tachtig, wanneer ze een jaar of elf is, gaat het van het een op het andere moment mis, zeker in de beleving van een jong kind. Plots is de o zo vertrouwde stad inclusief de eigen wijk ‘vol gevaar’, en moet je maar afwachten of je het er heelhuids van af gaat brengen. Gelukkig komen op enig moment Sovjettanks de stad binnengereden om jou, je vader, moeder en pasgeboren broertje – net als zovele anderen, allemaal Armeens – te beschermen en enkele dagen later op de trein te zetten, de trein naar Nagorno Karabach, een bergachtige streek zo groot als Gelderland, 250 kilometer westwaarts gelegen. En Armeens. Toch?

Dat ligt eraan, zelfs nu nog, wie je dat vraagt. Veel Armeniërs menen van wel. Nagorno Karabach maakt voor hen simpelweg deel uit van het nóg iets westelijker gelegen Armenië, ook al ligt het in buurland Azerbeidzjan. Menig ‘Azeri’ daarentegen ziet de enclave – aan alle kanten omgeven door Azerbeidzjans grondgebied – als deel van Azerbeidzjan, ook al is het goeddeels bewoond (‘bezet’) door Armeniërs.

Ander accent
De context eind jaren tachtig is een uiteenvallend Sovjetimperium. Bondgenoten van de USSR (‘satellietstaten’), Polen als eerste, breken een voor een met het Warschaupact, en ook de USSR zelf begint te verbrokkelen. Aan de zuidwestrand van het immense rijk roepen republieken na 1990 de onafhankelijkheid uit. Armenië (gelijk aan ongeveer driekwart van Nederland) en Azerbeidzjan zijn slechts twee van de veertien voorbeelden.

Het gevaar dat Hovhannisyan als kind ontwaart, staat in direct verband met een pogrom van etnische Azeri’s – veelal moslims – op de (christelijke) Armeniërs, in een stad 25 kilometer noordelijker van Bakoe. Enkele tientallen tot honderden burgers, het ligt eraan wie je naar de aantallen vraagt, worden in koelen bloede vermoord. Het gebeurt naar verluidt in reactie op het prille onafhankelijkheidsstreven van Nagorno Karabach, met demonstraties voor en demonstaties tegen (waarbij enkele slachtoffers zouden zijn gevallen), een eerder gerucht over een moord in Armenië op iemand met een moslimnaam, gecombineerd met een hoge werkloosheid onder Azeri’s.

Ook in Nagorno Karabach blijkt het na een tijdje allesbehalve veilig, sterker: vanaf 1991 is het er oorlog, tot aan 1994. Dat doet het gezin in ’92 besluiten om naar Jerevan te vertrekken, de hoofdstad van buurland Armenië. Eindelijk rust zou je denken, Armeniërs onder elkaar, maar dat blijkt toch niet helemaal het geval.

Hovhannisyan: ‘Juist daar werden we gediscrimineerd, al hadden we hetzelfde geloof en spraken we dezelfde taal: Armeens, met niet eens een ander accent. Wij kwamen uit Azerbeidzjan, hoorden er om die reden niet bij, en dat lieten de mensen merken ook. Vooral mijn broertje is veel gepest, op school.’ Misschien, overweegt ze, heeft meegespeeld dat het Armenië in die jaren economisch niet voor de wind ging en het land getroffen werd door een zware aardbeving.

Hoe prettig is dan de derde verhuizing uit noodzaak: die in 1998, naar Nederland, een land waar ze nog nooit van gehoord hebben, maar wordt aangeraden door UNHCR-hulpverleners. Ze komen in het dorp Middelstum terecht: eerst vier jaar in een omgebouwd pension voor vijftig vluchtelingen (‘ik ben blij dat we nooit in zo’n groot azc hebben gezeten’), dan vier jaar in de pastorie van de Nederlands-hervormde kerk. ‘Groningers zijn stug, in het begin dan, want al snel zijn ze gewoon vriendelijk. Ik heb me in Nederland sowieso nooit gediscrimineerd gevoeld.’

Het overlijden van haar vader, die Nederland niet meer heeft meegemaakt, en dat van haar broertje enkele jaren geleden, vindt Hovhannisyan te privé om toe te lichten. Wel ziet ze die twee gebeurtenissen en het ‘vluchten uit de oorlog’ als het zwaarste uit haar leven.

En dan moet een verblijfsstatus nog worden verworven, wat ‘door tijdrovende procedures’ alles bijeen tien jaar neemt. ‘Ik voelde me soms moe, ontmoedigd, en vroeg me af hoe een dag zonder problemen of zorgen zou zijn. Je moet stevig in je schoenen staan om als vluchteling in een vreemd land overeind te blijven.’

Bestuursrecht
Al die jaren mag Hovhannisyan niet werken, wat aanvankelijk zo’n punt niet is; ze is pakweg twintig wanneer ze hier aankomt, en wil – met een opleiding vergelijkbaar met havo op zak – vooral verder leren. Studiekeuzebegeleiding is aan haar niet besteed: als baby voelde ze al dat ze later zuster zou worden, een roeping die alleen maar aangewakkerd is door al het leed dat ze onderweg gezien heeft.

Na een scholing Nederlands gaat ze in Groningen met een provinciale subsidie hbo-v studeren, en daarmee klaar kan ze aan de slag in het Martini Ziekenhuis in dezelfde stad. Ze hopt als verpleegkundige van de ene naar de andere afdeling, tot aan de psychiatrische toe. ‘Ik hou van dynamiek; lang achtereen op dezelfde plek werken is minder aan mij besteed. Op enig moment heb ik het wel gezien.’

Om niet haar hele leven ‘aan het bed’ te hoeven blijven, gaat ze naast haar baan een deeltijdstudie doen: staats- en bestuursrecht, het eerste jaar bekostigd door UAF (‘daarna had ik voldoende geld om het zelf te betalen’). Ze is vol lof over deze stichting voor hoger opgeleide vluchtelingen. ‘Toen ik net klaar was met rechten belde iemand van UAF, om mee te denken: ‘wat ga je nu doen?’ En toen mijn broertje overleed, ook UAF-lid, hebben ze regeldingen uit handen genomen.’

Recentelijk heeft ze het ziekenhuis ingeruild voor de Inspectie voor Gezondheidszorg (IGZ), waar ze sinds september jongstleden werkt. Als inspecteur heeft ze inmiddels een kleine twintig privéklinieken en ziekenhuizen bezocht, deels onaangekondigd. Met Hovhannisyan heeft IGZ iemand in huis gehaald die het ziekenhuis in de breedte en uit eigen ervaring kent, met ook nog de aantekening specialistisch verpleegkundige op zak. ‘Wat ik tot nog toe vooral geleerd heb? Om op hoofdlijnen te rapporteren. Als ik een afdeling kom opgelopen, valt me van alles op. Dat komt omdat ik tot voor kort in vergelijkbare situaties stond te werken. Maar hoe het voor mij als verpleegkundige in het Martini Ziekenhuis was, moet ik loslaten. Afstand nemen, om goed te kunnen kijken.’

Afstand nemen wil ze, voor zover dat kan, ook van haar verleden als vluchteling. Dat wordt duidelijk wanneer ze vertelt over haar toekomst, in een reactie op de vraag hoe lang ze het denkt vol te houden als inspecteur, gegeven haar behoefte om van tijd tot tijd iets anders te gaan doen. ‘Nou, de inspectie is heel breed en divers, er is werkelijk van alles te doen, dus daar kan ik wel even mee vooruit. Maar ooit zou ik iets met vluchtelingen willen, de combinatie met recht en gezondheid lijkt me wel wat. Nu zou dat te snel zijn geweest. Want eigenlijk pas vanaf 2008, toen ik de verblijfsvergunning kreeg, ben ik een beetje tot rust kunnen komen en lukt het beter de emoties achter me te laten. Er moet nog wat meer tijd overheen wil ik zo’n job goed kunnen doen, met de nodige afstand.’

Wereldburger
Lukt het haar ook het nog altijd onopgeloste, sluimerende conflict ten zuiden van de Kaukasus met distantie te bezien? ‘Rationeel gezien wel. Emotioneel zal ik altijd Armeense blijven: een Armeense met een Nederlands paspoort, afkomstig uit Azerbeidzjan. Ik zeg altijd maar ‘wereldburger’ als iemand vraagt wat ik ben.’


CV
YANA HOVHANNISYAN
GEBOREN op 18 december 1977 in Bakoe (Azerbeidzjan)
AANKOMST in Nederland: 1998
OPLEIDING: staats- en bestuursrecht, met gezondheidsrecht als keuzevak, RUG, afgerond in 2014
WERK: verpleegkundige in het Martini Ziekenhuis, 2008 tot aan 2015. Vanaf 2015: IGZ-inspecteur.

Verstuur dit artikel naar Google+

Gerelateerde artikelen

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.