of 59250 LinkedIn

Liever voorlichten dan bekeuren

Serie over ambtenaren die als taak hebben al te onbezonnen gedrag van burgers in het publiek domein binnen de perken te houden.

Op zomerse dagen raken de meren en plassen in Nederland vol met pleziervaart. Is de aloude etiquette op het water nog steeds van kracht, of slaat de mondige burger ook hier al toe? Een dagje Gouwzee met handhavers van de politie Noord-Holland.

Pretbedervers
Serie over ambtenaren die als taak hebben al te onbezonnen gedrag van burgers in het publiek domein binnen de perken te houden.

Het water van de Gouwzee schittert in de zon. Windkracht drie. Echte zeilers halen er hun neus voor op, maar voor surveilleren ideale omstandigheden. De 200 pk’s op de achtersteven van onze politieboot kunnen zonder gevaar voor eigen leven volop worden ingezet. ‘Zitten jullie stevig?’, roept wijkagent Michiel van Kessel. Vertrekhaven Monnickendam met z’n tientallen dobberende boten ligt inmiddels ver genoeg achter ons. Van Kessel trekt de gashandel open. Met 75 kilometer per uur stuiven we over de snelle motorbaan richting Marken.

Een wijkagent is Van Kessel, ja. Geen lid van de waterpolitie. Die is met de komst van de nationale politie per 1 januari 2013 als afzonderlijke dienst opgeheven. Van Kessel werkt voor het district Zaanstreek-Waterland van de politie-eenheid Noord-Holland. Hij deelt vandaag het roer met surveillant Rick Berger van hetzelfde district. ’s Zomers, schat Berger, zit hij de helft tot driekwart van zijn werktijd op het water. ‘Geen verkeerde baan’, lacht hij.

‘Als politie duidelijk zichtbaar zijn’, noemen beide agenten hun voornaamste taak op het water. Controleren en, als dat moet, optreden. Van Kessel begint aan zijn derde zomer op het Waterlandse water, Berger aan de vierde. Ze bestrijken het gehele binnenwater en een stuk van het Markermeer. Waar de golven ruw worden, begint het werkterrein van de landelijke eenheid, die over nog meer pk’s en zee-expertise beschikt. ‘Al willen we in noodgevallen best een handje helpen’, zegt Berger.

En noodgevallen deden zich vorig jaar zomer in Nederland nogal eens voor. Niet zozeer het aantal aanvaringen steeg, als wel de ernst van de incidenten. Met een aantal dodelijke slachtoffers tot gevolg. Wordt het drukker en daarmee onveiliger op het water? En moet de politie – dus – meer handhaven?

Daar is geen hard bewijs voor, aldus Marion Kruizinga, afdelingshoofd Noordwest bij de dienst infrastructuur van de politie (landelijke eenheid). ‘De economische crisis was de afgelopen jaren ook ingevallen in de binnenvaart. Veel bedrijven gingen failliet. Daardoor is de beroepsvaart in omvang juist wat afgenomen. Aan de andere kant: met al die mooie dagen die we ook dit jaar hebben gehad, zie je het op het water meteen drukker worden. Dat warmere weer is zeker een factor.’ Ook op de Gouwzee neemt de pleziervaart volgens Van Kessel elk jaar toe. ‘Op mooie zon- en feestdagen is het hier echt vol.’

Rubberbootje
Volop werk aan de winkel dus voor de politie te water. De eerste aandacht bij de vele surveillances gaat uit naar het vaarbewijs van de schipper. ‘Veel mensen weten niet wanneer ze dat nou precies nodig hebben’, zegt Berger. ‘Het vaarbewijs heeft niks met aantallen pk’s te maken, zoals vaak wordt gedacht. Het enige wat telt: hoe hard je met die pk’s kunt varen. Voor elke boot die 20 kilometer per uur haalt, is een vaarbewijs verplicht. Een groot, log schip waar 100 pk achter hangt, maar dat niet sneller vaart dan 17 kilometer per uur hoeft dus geen vaarbewijs. Mits dat schip niet langer is dan 15 meter. Maar dat kleine gestroomlijnde rubberbootje met z’n 4 pk-motor kan zomaar wél die 20 kilometer halen. En dan heb je toch echt alle paperassen nodig.’

Hoe ze die vaarsnelheid meten? Berger: ‘Een Einstein-achtig iemand heeft ooit berekend dat elk klein schip bij 20 kilometer per uur in plané gaat varen: dan scheer je over de golven heen. Dus daar hebben we geen lasergun voor nodig.’

De boete is pittig. Wie ten onrechte zonder vaarbewijs het water opgaat, wacht een bekeuring van, jawel, 557 euro. Niet voor niets, vindt Van Kessel. ‘Als het op water een keer fout gaat, gaat het meestal ook goed fout. Dat leren die ongelukken van vorig jaar zomer. Mensen moeten dus niet denken dat iedereen hier in Nederland zomaar kan wegvaren.’

Nee, dat wordt deze maandagochtend op de Gouwzee ook zeker niet gedacht. Twee zeiljachten steken met ons het kleine binnenmeer over. Verder is het water vooralsnog uitgestorven. Pas in Marken wordt het drukker. De terrassen rond de haven lopen vol met toeristen. Opzichtig vaart de politieboot er een rondje langs de afgemeerde schepen. De agenten groeten bekenden in de viskraam. ‘Volgende keer koop ik weer een vissie bij je’, roept Van Kessel.

Het lijkt alsof het er op het water allemaal wat gemoedelijker aan toegaat dan op de wal. Dat is ook zo, erkent surveillant Berger. ‘Op de weg moeten mensen naar hun werk. Of boodschappen doen. Ze zijn altijd gehaast. Als districtspolitie houden wij ons hier in Waterland alleen bezig met de pleziervaart. Het woord zegt het al: mensen zijn dan voor hun plezier op het water. Kijk maar: zowat iedere schipper zwaait naar ons.’

Vrijbuiters
Een van de mooiere zaken van het afgelopen jaar was het in beslag nemen van een jetski. ‘Een paviljoenhouder had daar bij ons over geklaagd’, geeft Van Kessel aan. ‘Die jetskiër veroorzaakte veel overlast. We hebben hem staande gehouden. Hij had geen vaarbewijs en de registratiepapieren klopten niet.’ Jetskiërs zijn de vrijbuiters binnen de watersport: vaak jong en nogal eens roekeloos. Bovendien werkte de papierwinkel niet altijd in hun voordeel. ‘Dan kocht je met mooi weer in aantocht voor een paar duizend euro die jetski en mocht je officieel pas na de zomer het water op.’ Dan roep je als handhavers het onheil ook een beetje over je af, vindt Van Kessel. 

Tegenwoordig is een vaarbewijs sneller te halen, al blijft het examen louter theorie. Berger: ‘Als je het haalt, kun je zonder een meter te hebben gevaren een boot kopen met 300 pk’s erachter.’ Nee, die regel hoeft van hem niet te worden veranderd. ‘Dat is nu eenmaal de wetgeving. Maar praktijkervaring zou de veiligheid wel vergroten.’

Van Kessel, lachend: ‘Bij sommige boten die je ziet varen vraag je je af: hoe heeft die schipper ooit zijn theorie gehaald?’ Berger: ‘Als je echt gevaar of hinder veroorzaakt, kun je ook daarvoor door ons worden geverbaliseerd.’ De gemoedelijkheid die Berger en Van Kessel in hun Waterland aantreffen, geldt niet voor het hele land. ‘Ook op het water ontmoeten we meer mensen die hun weerwoord klaar hebben’, zegt afdelingshoofd Kruizinga, met haar dienst infrastructuur medeverantwoordelijk voor grote waterevenementen als de Gay Pride en Kroningsdag en voor zeilwedstrijden op het IJsselmeer. Ze noemt de beroepsvaart een uitzondering. ‘Dat zijn vaak schepen van buitenlandse ondernemingen met ook buitenlandse kapiteins. Die hebben respect voor autoriteit. Al klagen de schippers weleens over de vele controles. We kunnen de informatie over onze controles internationaal nog niet met elkaar delen. Systemen zitten nog niet goed aan elkaar gekoppeld. Dan zegt zo’n schipper: “Je bent al de derde controleur dit jaar.”’

Met de komst van de nationale politie is de waterpolitie opgegaan in de dienst infrastructuur. ‘Nu hebben we vanuit de nationale politie veelal een ondersteunende en samenwerkende rol. Dat is even wennen. Zeker als je altijd een dienst bent geweest die zelf het voortouw nam’, zegt Kruizinga. ‘Een strafrechtelijk onderzoek wordt nu meestal gestart door de regionale eenheid. Dan voeg je daar je expertise aan toe. Bij een ongeval op het water wordt dan bijvoorbeeld het technische onderzoek nog door specialisten van de landelijke eenheid gedaan. Maar de afhandeling blijft dan de verantwoordelijkheid van de regionale eenheid. Het is goed dat die nu meer betrokken zijn bij strafzaken. Ook krijgt de aanpak criminaliteit zoals witwassen meer aandacht. Vroeger was de waterpolitie in regio’s met weinig water nogal eens een vreemde eend in de bijt. Nu zie je dat mensen op lokaal niveau er meer bij betrokken raken.’

Hotelschip
Aan betrokkenheid in Waterland geen gebrek. Niet alleen op de Gouwzee, overal is er water. Vanuit Marken racen we naar de haven van Volendam, waar een Zwitsers hotelschip de ingang verspert. Ook hier is het zwaaien alom – en het eerste klusje. Van Kessel en Berger vissen een plank uit het water, die andere scheepvaart schade kan bezorgen.

Even later volgt de eerste controle. Een open motorboot met een schipper zonder bemanning, al bijna in de haven. Hij laat zich gewillig door de politie enteren, zeker als hij de kans krijgt de wachtenden aan de wal te melden dat het ‘wat later’ wordt. Van Kessel controleert de papieren – in orde – terwijl Berger op rustige toon het woord voert en ondertussen de boot nauwlettend checkt. Ja, de man draagt het verplichte dodemanskoord om zijn enkel. Er zijn ook genoeg reddingsvesten aan boord. Maar waar is die verplichte brandblusser? Ai. De schipper heeft de boot pas overgenomen, daar was hij nog niet aan toegekomen.

‘Voor een paar tientjes koop je die bij de Action’, adviseert Berger. ‘Als we elkaar later deze zomer nog eens tegenkomen, ga ik ervan uit dat het in orde is.’ De schipper belooft beterschap en haalt opgelucht adem. Geen 140 euro aan zijn broek.

Amper zijn we de haven uit, of er dient zich een nieuwe, nogal mysterieuze klant aan. Een zwemmer, van wie alleen het snorkelpijpje zichtbaar uit het water steekt. Levensgevaarlijk, vindt Van Kessel. We varen een tijdje naast de man die pas na herhaaldelijk claxonneren verbaasd opkijkt. Om vervolgens alle adviezen om beter op te letten in de wind te slaan. Hij duikt weer onder in de Gouwzee.

Van Kessel, licht geïrriteerd: ‘Het is hier open water. Zolang hij uit de snelle motorbaan en de betonde vaargeul wegblijft, kan ik hem het zwemmen niet verbieden. Maar een boot die de bocht om komt, knalt er zo bovenop. Dan heb je geen ambulance meer nodig.’

Vertrouwde nummer
De laatste surveillance betreft een echtpaar, eveneens in een open motorboot. Van Kessel en Berger voeren hun inmiddels vertrouwde nummer op. Alles lijkt in orde, zelfs voor de aanwezige hond is een – voor dieren niet verplicht – reddingsvest aan boord, al vereist dat eerst wel enig zoekwerk. Zwaaiend nemen echtpaar en politie afscheid.

Ja, zegt Berger, eenmaal terug aan de wal in Monnickendam, ‘het lijkt altijd heerlijk werk. Maar na een dag op het water ben ik bekaf. En dan moet ik daarna nog alles in het computersysteem invoeren.’ Deze keer valt dat mee. ‘Dat laatste echtpaar had de reddingsvesten niet echt binnen handbereik, zoals is voorgeschreven’, zegt hij. ’Maar wat is dat precies: binnen handbereik? Op één meter afstand? Op drie? En wat moet je ermee als de reddingsvesten, zoals in dit geval, in een kastje liggen? Ik had het echtpaar kunnen bekeuren, maar ik los het liever op door de mensen eerst op de fouten te wijzen. Via voorlichting creëer je draagvlak voor ons werk.’

Niet dat iedereen er zo mee wegkomt. Berger: ‘Wie met zestig per uur buiten de snelle baan racet, die is er meteen bij. Geen pardon. En ja, ook de boot zonder brandblusser gaat het systeem in. Als we hem later deze zomer nog eens zo aantreffen, dan is de schipper geheid de klos.’

Verstuur dit artikel naar Google+

Gerelateerde artikelen

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door veerman op
Nou de heer berger zegt in dit artikel dat hij mensen eerst op hun fouten wijst, maar dat is zeker niet waar!!! Het liefst bekeurt hij jongens die een bootje hebben en die voor hun plezier varen, daar wordt hij blij van. "Hïj geeft ze meteen een fikse bekeuring van minimaal 240,00 euro en als je hem daarna spreekt hoorde ik hem daarover lachen . Nou bozer kun je een mens niet krijgen. Zeker niet geschikt voor dit werk!!!!