'Er is zelden zo'n collectieve schuld geweest aan een foute beoordeling'
25 jaar Binnenlands Bestuur: Terugblik 1995
'Sacirbey weigerde dat onder alle omstandigheden. Hij zei tegen ons: Bosnië kan zich niet permitteren om een stuk van zijn territorium op te geven. Een dag later, toen duidelijk was geworden dat Srebrenica door de Bosnische Serviërs was veroverd, had Sacirbey een ontmoeting met Carl Bildt, de man die zich voor Europa met Bosnië bezighield. Jaren later vertelde Bildt mij, dat Sacirbey daar toen zo gelijkmoedig over was dat hij tegen hem zei: "Het lijkt wel alsof ik het erger vind dat Srebrenica is gevallen dan jij." Waarop Sacirbey antwoordde: "Ja, ik vind het op zichzelf natuurlijk ook heel erg, maar eigenlijk had de Bosnische regering Srebrenica al opgegeven." Dat was dus, in tegenstelling tot wat Sacirbey een dag eerder tegen Joris en mij had gezegd, een hele rare move.
'In de dagen daarvoor wisten we al wel dat Mladic en de Bosnische Serviërs aan het opstomen waren. Maar tot het laatste moment dachten we - misleid door inlichtingendiensten van andere landen - dat ze alleen een kortere afsnijding van de zuidelijke route wilden maken, een corridor door onze buitenposten heen. 's Middags rond een uur of een kreeg ik bericht dat Srebrenica zelf nu werd aangevallen. Toen ben ik naar de bunker gegaan, waar Joris Voorhoeve en zijn hele militaire apparaat zaten, en daar heb ik urenlang gesleten, grotendeels aan de telefoon.
Hoog spel
'De kernvraag was de luchtsteun. Men was voortdurend bezig daarom te vragen aan Janvier, de Franse VN-commandant in Bosnië. Het wordt door anderen wel eens gerelativeerd, maar het is een van de cruciale punten geweest. Tot op de dag van vandaag is nog steeds niet de diepste reden opgehelderd waarom die luchtsteun niet kwam - met sterke vermoedens dat er wellicht toch afspraken waren waarvan alleen Mladic en Janvier en misschien president Chirac afwisten.
'Enige tijd eerder was er een grote gijzelneming geweest, een paar honderd Fransen die door Mladic waren gegijzeld. Die zijn op een gegeven moment vrijgelaten en onmiddellijk heeft toen de gedachte postgevat dat daar een prijs voor was betaald. Iedereen vroeg zich af: wat is er toch beloofd om Mladic zo ver te krijgen? De Bosnische Serviërs waren inderdaad als de dood voor de luchtmacht van de VN. 'Je kunt dat nooit bewijzen. Áls zo'n afspraak is gemaakt, dan is die niet op papier gezet. Dus je zult het nooit weten. Maar je moet wel bedenken dat de toezegging dat we zonodig op luchtsteun konden rekenen in 1993 een van de doorslaggevende redenen was waarom de Kamer toestemming gaf om naar Srebrenica te gaan.
'Uiteindelijk is er die elfde juli één luchtaanval uitgevoerd, op het moment dat de Serviërs Srebrenica al binnengingen. Dat waren, geloof ik, zes vliegtuigen waaronder twee Nederlandse, en die hebben één tank van Mladic uitgeschakeld.
'Daarna, terwijl Srebrenica al half gevallen was, kwam het merkwaardige initiatief van de VN om ons te vragen of wij het op prijs stelden dat ze het nog een keer zouden doen. Na de eerste luchtaanval had Mladic al gezegd: "Als dit nog eens gebeurt, gaan wij de heuvel Potocari beschieten." Potocari was een grote mierenhoop: vrouwen, kinderen, mannen, alles was ter bescherming daarheen gevlucht. Dus een beschieting van die heuvel met granaten zou een ramp zijn geworden. Wij hadden ook geen twijfel dat Mladic bereid was zijn dreigement uit te voeren. Daarom heeft Voorhoeve, na overleg met Kok en mij, gezegd: niet doen, in godsnaam geen tweede luchtaanval.
'Later is dat verkeerd uitgelegd, alsof Nederland helemaal geen luchtsteun wilde. Dat blijft een schandelijk stukje cynisme van de VN, met daarin mogelijkerwijs een zeer aanvechtbare rol van Frankrijk. Maar nogmaals, dat is niet te bewijzen.
'Ik heb die dag met iedereen gebeld: met Kofi Annan, met Akashi, de speciale VN-vertegenwoordiger in voormalig Joegoslavië, met mijn Europese collega's. Op een gegeven moment kwam er het wilde voorstel van Chirac om Srebrenica terug te veroveren. Dat heb ik namens het kabinet afgeschoten. Ik dacht: ben je nou helemaal gek. Niemand was daar trouwens voor, alleen Chirac. Het was zó onrealistisch dat ik me later afvroeg: is het ter compensatie van iets anders, heeft Chirac een soort schuldgevoel? Maar het is moeilijk om daarover te praten, want voor je het weet verval je in een beschuldiging die je niet kunt waarmaken.
'Mijn belangrijkste telefoontje was een paar dagen later met Carl Bildt. Zonder dat ik de omvang precies kende, had ik een bang vermoeden. Het woord werd niet uitgesproken, maar de Nederlandse soldaten bevonden zich toch in een gijzelsituatie, en daar moesten ze uit. Tegelijk was er de veiligheid van de bevolking. Daarom belde ik Carl Bildt, die als Europees vertegenwoordiger in Bosnië op dat moment met Mladic vergaderde over de situatie in Srebrenica.
'Ik haalde Carl Bildt uit de vergadering en zei: "Luister, zeg aan Mladic dat wij niet weggaan als er geen controle is, door het Rode Kruis en/of Unhcr, op de achterblijvers, de gevangengenomen mensen." Ik speelde hoog spel. Bildt zei: "Ik heb het begrepen, ik zal het doen." Even later werd gerapporteerd: "Mladic is akkoord."
'Op het moment dat Mladic dat zei, vonden de executies plaats. Hij heeft een totale schijnvertoning gegeven. Ik denk dat Mladic dacht: tegen de tijd dat die controleurs daar zijn, is alles al gebeurd. Dat pokerspel heeft hij gewoon overbluft en ook Carl Bildt stonk daarin. Op grond van die toezegging zijn wij toen onze soldaten gaan evacueren.'
Idealistisch
'Alle gegevens die in de ontwikkeling van het drama Srebrenica een cruciale rol hebben gespeeld, waren al onwrikbaar vastgelegd toen het kabinet-Kok in augustus 1994 aantrad. De keuze voor de plaats, de keuze voor de wapenen, het mandaat. En in politiek opzicht, wat voor mij als minister van Buitenlandse Zaken belangrijk was: het feit was geaccepteerd dat wij geen lid waren van de contactgroep, hoewel wij een belangrijke rol vervulden in een onmogelijke situatie. De samenstelling van die contactgroep was idioot. Dat werd het beste samengevat door mijn vriend Klaus Kinkel, de Duitse minister van Buitenlandse Zaken. Hij zei: "De contactgroep is een vreselijke miskleun. Van Mierlo wil erin en ik wil eruit."
'Ondanks al die bezwaren hadden we toch gemeend Screbrenica te moeten aanvaarden. Omdat het ten eerste voor korte tijd was bedoeld, ten tweede met het uitzicht van een vredesregeling, ten derde met een garantie van Mladic dat de aanvoer altijd door zou kunnen gaan, ten vierde met een niet-aanvalsverdrag, en ten vijfde met de belofte van luchtsteun als er toch zou worden aangevallen. Dat is dus allemaal niet waar gebleken.
'Je kunt die beslissing achteraf lichtvaardig noemen, maar je moet eens terugzien wat een enorme politieke en mediale druk er in 1993 op het kabinet-Lubbers III werd gelegd. Het was overdonderend, niet te geloven eigenlijk. De kranten, de hoofdartikelen, de nieuwsrubrieken, de achter-het-nieuwsrubrieken, alles drukte dezelfde kant op: Doe iets! Doe iets! Doe iets! Er is zelden zo'n collectieve schuld geweest aan een foute beoordeling als toen.
'Normaal deed ik als fractievoorzitter van D66 buitenlandse zaken samen met Doeke Eisma, onze woordvoerder. Maar in 1993-'94 was ik vooral met paars bezig. Ik had een idee in mijn kop om dat paarse kabinet te maken en af te dwingen, en dat was een heidens werk. Achteraf weet je dat je nooit zo'n mandaat had moeten accepteren. Je had je ook beter moeten afvragen waarom de Canadezen zo graag uit Srebrenica weg wilden. En je had het nooit moeten doen - een van de belangrijkste dingen - zonder dat een groot land, het liefst een land dat in de Veiligheidsraad zit, daar medeverantwoordelijkheid voor droeg.
'Er is in de politiek een key question: aan welke kant van het risico ga je staan? Het risico dat je de goeden ten onrechte laat lijden onder de kwaden, of het risico dat je de kwaden ten onrechte laat profiteren van je hulp aan de goeden. Het risico dat je te veel doet, of het risico dat je te weinig doet. Het risico dat je een verantwoordelijkheid op je neemt die je uiteindelijk niet kunt dragen, of het risico dat je je verantwoordelijkheid sowieso niet neemt.
'En dan heb je een land als Nederland, dat zichzelf een beetje neigt te overschatten als het dit soort verplichtingen op zich neemt. Dat komt doordat we een goeie krijgsmacht en goeie soldaten hebben en altijd een idealistisch uitgangspunt hebben gekozen wanneer het ging om zaken van de wereldrechtsorde. Vergeet niet dat de grondlegger van de wereldrechtsorde een Nederlander was, Hugo de Groot.'
Lugubere voortekenen
'Doordat Nederland een middelgroot land is, niet klein en niet groot, heeft het ook de neiging om te weinig cynisch te zijn - in de zin van het bevroeden en doorgronden van de machinaties van grote landen en de gevolgen daarvan bij het uitvoeren van een geïnternationaliseerde opdracht. Nederland was daarin heel erg idealistisch: wij zijn VN-soldaten, dus de VN hebben het commando, anders kan het niet werken. Nederland is geen oorlogvoerend land tegen Servië, Nederland levert troepen aan de VN en die dragen alle verantwoordelijkheid. Dus de Nederlandse begeleiding strekt zich alleen maar uit tot de uitzending zelf, het mogelijk maken dat onze soldaten daar zijn.
'De Fransen doen dat anders. Die zitten in de Veiligheidsraad en die hebben ook een opvatting dat zij de wereld regeren, ook al doen ze dat niet. Zij gaan uit van: Frankrijk speelt een belangrijke nationale rol in de VN. De Fransen redeneren altijd vanuit een patriottisch element en dat doet Nederland absoluut niet. 'Ik heb daar in 2001 in mijn getuigenis voor de Franse Assemblee een venijnige opmerking over gemaakt. Ik vroeg me af of de zaken anders waren gelopen als er een ander land in Srebrenica had gezeten en ik zei toen: "Misschien zou een bataljon uit een groot land beter in staat zijn geweest bevoorrading veilig te stellen of in de allerlaatste dagen luchtsteun te krijgen." Want ik weet zeker dat als daar Fransen hadden gelegen, de zaak totaal aan flarden was gebombardeerd.
'Op de persconferentie van 11 juli 1995 zei Joris Voorhoeve: "Er heeft zich vandaag een ramp van grote omvang, met vergaande consequenties voorgedaan." Dat was grote taal, maar daarbij dacht hij nog niet aan de slachting. Onze opdracht was totaal mislukt en dat was al verschrikkelijk genoeg. Er zat wel de angst achter dat er unheimische dingen konden gebeuren. Je had al vaker gehad dat de Serviërs vreselijk wreed tekeergingen na een overwinning of na een inname, met wraakacties en het fusilleren van mensen. Maar genocide is iets wezenlijk anders; dat is het doelbewust en stelselmatig uitroeien van een hele mannelijke bevolking.
'Ik herinner me wel dat ik in het nachtelijk kabinetsberaad van die dagen heb gewezen op de lugubere voortekenen. Er waren geruchten over de scheiding van mannen en vrouwen en dat was zeker geen prettig teken. Maar daar kon je ook een andere verklaring voor geven, namelijk: de mannen zijn potentiële soldaten, dus die worden krijgsgevangen gemaakt, terwijl de vrouwen en kinderen niet krijgsgevangen worden gemaakt. Ja, welke verklaring neem je dan: de eenvoudige of de kwaadaardige.
'De berichten over de slachting kwamen pas geleidelijk. Op 18 juli nam Jan Pronk, die toen minister voor Ontwikkelingssamenwerking was, als eerste het woord "genocide" in de mond. Dat werd hem door de rest van het kabinet niet in dank afgenomen. Wij zaten nog met de evacuatie van de Nederlandse soldaten en ook los daarvan moet je op zo'n moment toch op je woorden passen. Het kon ook nog oorlogspropaganda van de kant van de Bosniërs zijn. Je had het gevoel van: als het waar is, dan was het toch wel gerapporteerd. De moeilijkheid was daarnaast dat de oorlog gewoon doorging. We hadden die slag verloren, maar op andere plaatsen zaten ook nog Nederlanders. Het was een "going concern" en dan is het erg moeilijk om heldere posities in te nemen.'
Aftreden
'Ik heb mij wel zeer sterk verzet tegen de gang van zaken op 23 juli in Zagreb, de verwelkoming van de Nederlandse soldaten uit Srebrenica. Toen ik hoorde dat zowel de premier als de minister van Defensie als de kroonprins daarheen zou gaan, heb ik tot aan het hoogste niveau alles in het werk gesteld om te voorkomen dat er een feestelijk karakter aan werd gegeven. Joris Voorhoeve zei uiteindelijk: "Ja Hans, je hebt gelijk, maar we gaan het ook heel sober aanpakken." Dat is alleen niet gelukt, want de militairen hadden daar de leiding, en zij hadden een totaal andere invalshoek.
'Ik zag dat aankomen: met de prins en alles erbij, de wereld zou toekijken en zich verbazen over de vreugde van de Nederlanders. 'Joris heeft mij nooit geraadpleegd over de vraag of hij moest aftreden. Voor mijzelf had ik voor mogelijk gehouden dat er zou worden afgetreden, ook door mijzelf. Maar daarvoor was primair nodig dat Joris het zou doen. Hij zei toen tegen mij: "Aftreden betekent dat de soldaten gefaald zouden hebben, en ze lopen toch al sterk het gevaar getraumatiseerd te worden."
'Als Joris was afgetreden, dan was ik waarschijnlijk ook afgetreden. Maar dat weet ik niet zeker, want ik was vice-minister-president en dat zou kabinetscrisis hebben betekend, terwijl je troepen hebt in een land waar oorlog is. Dat kan eigenlijk nauwelijks. Daarnaast - maar dat was secundair op dat moment - was het paarse kabinet nog maar net begonnen en dat was al zo'n groot avontuur. 'In het kabinet is er eindeloos over gesproken: wat moeten we toch doen? Een parlementaire enquête op dat moment vonden we niet gewenst. Het grote bezwaar, dat de zaken mogelijkerwijs scheeftrekt, is dat de Nederlanders dan onder ede staan en de buitenlanders niet. Terwijl het evident is, dat de voornaamste schuld ligt bij het falen van de VN. Die voerde de oorlog en had de opdrachten verstrekt.
'Het Niod-onderzoek, waar we uiteindelijk voor kozen, was helemaal niet zo'n slecht idee: een volkomen objectief onderzoek. Alleen hadden we nooit moeten toestaan dat het over de kabinetsperiode heen werd getild. We hadden moeten zeggen: voordat dit kabinet aftreedt moeten we hoe dan ook een rapportage hebben, al is het maar een deelrapportage. Daarmee hadden wij dan naar de Tweede Kamer kunnen gaan en die had een oordeel kunnen uitspreken. Of we hadden met z'n allen kunnen zeggen: Wij vinden dit zo verschrikkelijk dat wij, los van de werkelijke schuld, als een soort gebaar aftreden.
'Dat is dus wat Kok vier jaar later, in 2002, heeft gedaan. Ik zat op dat moment in Brussel, voor de Europese Conventie, en ik heb laten blijken dat ik verwonderd was. Ik vond het verdedigbaar, maar ook aanvechtbaar. Het was allemaal zuiverder geweest als het kabinet dat verantwoordelijk was voor Srebrenica, in 1998 in zijn geheel een oordeel had kunnen vormen en conclusies had kunnen trekken.'
Onopgelost
'Ik ben heel erg terughoudend over alles wat zich heeft afgespeeld op Potocari, daar waar de grens ligt tussen discipline en morele verantwoordelijkheid, dus waar het het betonen van courage civil betreft, of in dit geval courage militaire. Wanneer hou je op met je aan de regels te houden als er mensen in levensgevaar verkeren? Als ik burger was, zou ik mijn oordeel daarover gemakkelijk vormen, denk ik. Maar als medebetrokkene ben ik uiterst aarzelend om een oordeel te vellen. Het zijn voor mij ook onopgeloste vragen, maar ik durf ze niet aanklagend aan de orde te stellen, omdat ik dat ongepast vind.
'Er is iets heel raars met Srebrenica. Meestal ligt de geschiedenis achter je en juist doordat het zich verkleint, ga je er anders tegen aankijken, krijg je the benefit of hindsight. Maar ik heb gemerkt dat ik eigenlijk nog precies dezelfde dingen vind als direct daarna. Dat komt doordat het drama niet achter me ligt. Het is niet af. 'Op de een of andere manier blijft de vraag je achtervolgen: heb ik wel genoeg gedaan, heb ik op mijn positie wel gedaan wat ik kon? Ik heb daar een onbevredigend gevoel over, terwijl ik niks kan bedenken waardoor ik het had kunnen voorkomen. Misschien had ik tijdens die dagen zelf het vliegtuig moeten nemen naar Washington of naar weet ik wat. Allemaal daden stellen, begrijp je. Is er iets te bedenken waardoor de wereld dan anders gereageerd zou hebben? Daar kom ik niet uit. En dat blijft zo. Ik zie daar geen enkele verandering in komen.'
Terugblik 1995: Srebrenica
Op 11 juli 1995 liepen Bosnisch-Servische troepen onder bevel van generaal Mladic de moslim-enclave Srebrenica onder de voet. In de dagen erna vermoordden zij ruim zevenduizend moslimmannen en -jongens; de ergste daad van genocide sinds de Tweede Wereldoorlog in Europa.
In Srebrenica bevonden zich ook zeshonderd Nederlandse militairen, die vanaf voorjaar 1994 onder bevel van de Verenigde Naties hadden gefungeerd als toezichthouders op het bestand tussen Bosnische Serviërs en Bosnische moslims in deze safe area. De vraag naar de verantwoordelijkheid, en eventuele schuld, van Nederland en zijn militairen heeft ons land sedertdien bijna onafgebroken beziggehouden.
De Tweede Kamer debatteerde in september en december 1995 over Srebrenica en dacht de zaak daarmee af te sluiten. In werkelijkheid volgde een lange reeks onthullingen en speculaties in de media. Steeds opnieuw werd de vraag aan de orde gesteld of Nederland in Srebrenica had gefaald.
In oktober 1996 kreeg het Niod (toen nog Riod geheten) de opdracht een 'historisch-wetenschappelijk onderzoek' in te stellen, dat 'inzicht verschaft in de oorzaken en gebeurtenissen die hebben geleid tot de val van Srebrenica en tot de dramatische ontwikkelingen die daarop zijn gevolgd'.
Dat rapport zou bijna zes jaar op zich laten wachten, tot april 2002. Het eerste kabinet-Kok, waarin de ministers Voorhoeve van Defensie en Van Mierlo van Buitenlandse Zaken de eerste bemoeienis met Srebrenica hadden gehad, had toen al plaatsgemaakt voor het tweede paarse kabinet, waarin Voorhoeve en Van Mierlo geen zitting meer hadden. Premier Kok zag in het Niod-rapport aanleiding af te treden, omdat de 'ernst' van de conclusies 'niet zonder politieke consequenties mag blijven'. Het kabinet volgde hem op 16 april 2002.
Op 25 april 2002 besloot de Tweede Kamer tot een parlementaire enquête over Srebrenica, waarvan het eindrapport op 27 januari 2003 werd aangeboden. De conclusie luidde: 'Er is sprake van een totale onderschatting van het kwaad.'
Op 11 juli 2005 blikte Hans van Mierlo terug op tien jaar Srebrenica.
Hans van Mierlo
Hans van Mierlo werd in 1931 in Breda geboren. Hij studeerde rechten in Nijmegen, werd in 1960 journalist bij het Algemeen Handelsblad, en was een der oprichters van D66. Van 1967 tot 1977 zat hij voor D66 in de Tweede Kamer, de eerste zes jaar als fractievoorzitter. In 1981-’82 was hij minister van Defensie, van 1983 tot 1986 lid van de Eerste Kamer, en van 1986 tot 1994 opnieuw D66-fractievoorzitter in de Tweede Kamer. In augustus 1994 werd Van Mierlo minister van Buitenlandse Zaken en vice-premier in het eerste paarse kabinet. Sinds 1998 is hij minister van Staat.
Reactie op dit bericht
The Genocide Myth :http://szrzlj3.blogspot.com/
The Genocide Myth