Bestuurders, vul uw zakken maar met mate
De hoogte van topsalarissen in de (semi) publieke sector zijn een terugkerende discussie. Een bestuurskundige hekelt de houding van sommige bestuurders ten aanzien van hun salaris.
De afgelopen maanden was weer de nodige ophef over topsalarissen in de (semi)publieke sector; onder andere over de rapportage van Binnenlandse Zaken met de tweeduizend ‘grootverdieners’, beloningen bij ontwikkelingsorganisaties en rond onderwijsbestuurders die meer verdienen dan de ‘Balkenende-norm’. De Wet normering topinkomens (WNT), momenteel in voorbereiding in het parlement, moet een eind maken aan al deze discussies.
De wet onderscheidt in navolging van de commissie-Dijkstal drie regimes: (semi)publieke instellingen zoals publieke omroepen, woningcorporaties en onderwijsinstellingen (1), verzorgingstehuizen en ziekenhuizen (2), en zorgverzekeraars (3). Het voorstel is een stap in de goede richting. Juist het precieze onderscheid tussen publiek, semi- publiek en privaat wordt vaak incorrect toegepast in de discussie over marktcon forme beloningen.
Het veelgehoorde argument dat toptalent of captains of industry naar het buitenland vertrekken als de politiek zich met onze salarissen gaat bemoeien, mag tot op zekere hoogte valide zijn, voor de (semi)publieke sector geldt dit nauwelijks. Toch verdedigde AFM- bestuursvoorzitter Hoogervorst een paar maanden geleden zijn exuberante beloning van 420 duizend euro, door er expliciet op te wijzen ‘dat hij in de semi-publieke sector werkt’. Zo’n houding voedt de morele verontwaardigde reacties vanuit de samenleving, en helpt ook de discussie niet.
Hoogervorst’ verwijzing naar de markt was misplaatst. Toezichthouders als de AFM, de NMa of de OPTA zijn weliswaar op afstand, gewoon onderdeel van ministeries, en worden volledig uit belastinggeld betaald. Zij zijn niet of nauwelijks afhankelijk van inkomsten en prikkels uit de markt. En dus mist de vergelijking met commerciële organisaties elke grond.
De bestuurders waar het om gaat, opereren doorgaans dus in geen enkel opzicht in een ‘echte’ markt. In bijvoorbeeld zorg, woningbouw en omroepland zijn instellingen door regionale indeling en toewijzing van specifieke wettelijke taken verzekerd van een bepaalde clientèle. Er zijn speciale garantstellingen, en al lerlei tarieven voor producten liggen van overheidswege vast en worden in Den Haag of Brussel bepaald, al dan niet samen met de sector of beroepsgroep, en niet op basis van de vrije markt.
Zeker, binnen de semi-publieke sector (toezichthouders, woningcorporaties) en de semi-private sector (Schiphol, NS) bestaan grote verschillen in organisatie, taak, reikwijdte van ministeriele verantwoordelijkheid en publieke financiering. Ook zijn er marktpartijen als KPN en TNT die ten onrechte als semi-publiek worden beschouwd, waardoor overheidsbemoeienis met het beloningsbeleid minder gepast is. Variatie in organisaties en sectoren mag echter geen excuus zijn voor het hanteren van verschillende criteria, categorieën en regimes door de overheid: beloningen voor bestuurders van staatsdeelnemingen wijken bijvoorbeeld weer af van de WNT.
Een eenvoudige stelregel kan zijn dat een organisatie niet langer als (semi-)publiek wordt beschouwd als die meer dan 50 procent van zijn inkomsten uit de markt haalt, concurrentie heeft van anderen of slechts tijdelijk monopolist is (volatiele markt), en als de bestuurder en niet de minister eindverantwoordelijk is.
Organisaties die meer dan de helft van hun vaste inkomsten van overheidswege verkrijgen en waar (gedeeltelijke) ministeriele verantwoordelijkheid geldt, hanteren gewoon de Balkenende-norm. Dit geldt helemaal voor organi saties die volledig van belastinggeld worden bekostigd. Immers, niemand draagt meer verantwoordelijkheid voor de BV Nederland dan de minister-president. De bestuurder die dat wel pretendeert leidt aan hoogmoed en is mede verantwoordelijk voor de telkens weer oplaaiende maatschappelijke verontwaardiging.
Zeger van der Wal is bestuurskundige aan de VU in Amsterdam en onderzoekt de ethiek van elites in de publieke en private sector.