of 59054 LinkedIn

Werk aan de winkel

‘Ambtelijk vakmanschap’ is de nieuwe buzz in Den Haag. In ieder geval op het departement waarover Richard van Zwol de scepter zwaait. Hij maakte anderhalf jaar geleden de overstap van Financiën naar BZK, mede vanwege zijn belangstelling voor het ambtelijk en bestuurlijk metier.

Niks generalisten, niks inhoudsloze managers. De ambtenaar als vakman of –vrouw behoeft herwaardering. Richard van Zwol, secretarisgeneraal van het ministerie van BZK, maakt zich er sterk voor. Maar er is nog een lange weg te gaan, blijkt uit onderzoek.

‘Ambtelijk vakmanschap’ is de nieuwe buzz in Den Haag. In ieder geval op het departement waarover Richard van Zwol de scepter zwaait. Hij maakte anderhalf jaar geleden de overstap van Financiën naar BZK, mede vanwege zijn belangstelling voor het ambtelijk en bestuurlijk metier. BZK is immers het departement van het personeelsbeleid, met bevoegdheden voor de gehele rijksdienst en verantwoordelijkheden voor de andere bestuurslagen. Omdat we in een samenleving verkeren die zich kenmerkt door wat bestuurskundige Paul ‘t Hart ‘chronische turbulentie’ noemt, is het zaak de noodzakelijke kwaliteiten van de ambtenaar anno nu opnieuw te bezien, meent Van Zwol.

‘Ik zie ontwikkelingen die nauw met elkaar samenhangen, maar die een fragmentarische vertaling krijgen in het personeelsbeleid. Ik vind het bij uitstek de taak van dit departement om dit te agenderen.’ Tegelijkertijd is hij genoeg realist om te weten dat provinciaal of gemeentelijk personeelsbeleid niet vanuit zijn toren wordt gemaakt. ‘Bij de vele gesprekken die ik voer met gemeentesecretarissen, wethouders en burgemeesters krijg ik niet de indruk dat ze denken: “Ambtelijk vakmanschap! Goh Van Zwol, nu je het zegt, dat waren wij compleet vergeten.”

Er gebeurt natuurlijk van alles om ambtenaren fit te maken en te houden voor wat nu en straks van hen wordt verwacht. Maar het extra accent dat we er vanuit ons departement op leggen, drukt ook de overtuiging uit dat we het samen moeten doen. Er is zoveel tegelijk gaande, dat hernieuwde invulling geven aan het ambacht alleen lukt met vereende krachten.’

Minder vakbekwaam
Een overbodige luxe lijkt de aandacht voor de ambtenaar niet. Het Personeelsen mobiliteitsonderzoek (POMO), een medewerkertevredenheidsonderzoek waarvan de cijfers over 2014 een dezer dagen publiek worden, toont geen geruststellend beeld. Aan het onderzoek deden 24.000 werknemers in de publieke sector deel, ongeveer 15 procent van het totaal. Ruim 9.000 daarvan werken in het openbaar bestuur. De gehele sector scoort hoog op vakmanschap, betrokkenheid, bevlogenheid en tevredenheid.

Maar opvallend genoeg haalt het openbaar bestuur de gemiddelden naar beneden haalt. Ambtenaren bij het rijk, de provincies en de gemeenten vinden zichzelf minder vakbekwaam, minder bevlogen en minder betrokken dan andere medewerkers in de publieke sector. Bovendien blijkt uit cijfers die BZK eind augustus vorig jaar publiceerde, dat bijna één op de tien overheidswerkers niet tevreden is met zijn baan, maar geen enkele poging doet om daar verandering in te brengen.

Van Zwol wil niet bagatelliseren, maar wel nuanceren. ‘De verschillen in de publieke sector als geheel zijn niet enorm groot. Ik vind het logisch dat bevlogenheid een meer aansprekend begrip is voor een leraar die dagelijks jonge mensen probeert te boeien dan voor een ambtenaar die op een veel abstracter niveau werkt aan bijvoorbeeld vernieuwing van de Omgevingswet. Ik schiet dus niet in de stress wanneer het openbaar bestuur daar iets minder goed op scoort.

Maar natuurlijk klopt het dat ook in het openbaar bestuur mensen rondlopen die wel wat extra motivatie kunnen gebruiken. En mensen voor wie het beter zou zijn om naar een andere baan om te zien. Toch is mijn overtuiging dat motivatieproblemen lang niet altijd een kwestie van onwil zijn. Mijn ervaring over de afgelopen 25 jaar zegt dat mensen vaak wel willen, maar bijvoorbeeld al zo lang vastzitten in hun baan dat ze niet meer durven te veranderen. Of er onzeker van worden dat ze eigenlijk weinig anders kunnen dan wat ze nu doen. Natuurlijk zakt je motivatie dan weg. Natuurlijk word je dan onzeker over je loopbaanmogelijkheden en blijf je zitten waar je zit. Ook dit zijn zaken die we met een herwaardering van het ambtelijk vak moeten doorbreken.’

‘Ziek’
Ambtelijk vakmanschap tot speerpunt bombarderen is een ding, er handen en voeten aan geven is iets anders. Ambtenaren die al wat langer meedraaien, hebben in de loop der jaren immers wel vaker enthousiast moeten reageren op nieuwe inzichten als ‘talentontwikkeling’, ‘goed werkgeverschap’ of ‘competentiemanagement’. Ze hebben een tweede natuur ontwikkeld om daar mee om te gaan: een beetje meebuigen en voordat je het weet is het weer overgewaaid. Wat zit er in de gereedschapskist van ‘ambtelijk vakmanschap’ om dat nu niet te laten gebeuren?

De vraag irriteert Van Zwol mateloos. ‘Ik ga mij wapenen tegen dit soort cynisme. Ik word er ziek van. Betrokkenheid bij de publieke zaak, bevlogenheid, ambtelijk vakmanschap, dat gaat in de eerste plaats over de inzet van elke individuele ambtenaar. Het gaat over gedrag en cultuur. Uw vraag is er een uit het boekje van een zeer ouderwetse ambtenaar: wat zijn de instrumentjes? Natuurlijk ontwikkelen we opleidingsprogramma’s, natuurlijk bouwen we aan nieuwe vormen van kennisontwikkeling in de HRM-cyclus. Ik kan u nu een hele lijst meegeven met wat we allemaal doen en ontwikkelen. Maar dat is de uitvoering. Waar het echt om gaat is een overheidsbrede ambitie neer te zetten.’

Die ambitie van ambtelijk vakmanschap moet toch op de een of andere manier zichtbaar worden? Hoe zien die vakman en –vrouw er dan uit?
Van Zwol: ‘In de eerste plaats hebben we behoefte aan ambtenaren met specifieke deskundigheid. Ik geloof niet in de algemene ambtenaar of manager die van alles een beetje en uiteindelijk dus van niets echt iets weet. De ambtenaar is een specialist op zijn eigen terrein. Dat kan te maken hebben bedrijfsvoering, financiën, juridische zaken, zorg, noem maar op. Natuurlijk kan scholing een overstap van het ene naar het andere vakgebied mogelijk maken, maar je beoefent een vak. Daar hoort deskundigheid bij. Voor mij is de sleutel tot ambtelijk vakmanschap bovenal kennis. Die kennis is voorwaardelijk om je werk goed te blijven doen en om te kunnen anticiperen op alle veranderingen binnen en buiten de overheid.

In de tweede plaats is ambtelijk vakmanschap zeer precies weten waarin het ambtenaarschap zich onderscheidt van functies buiten de overheid. Een ambtenaar dient de democratie en stelt hoge eisen aan integriteit. Je werkt niet voor een deelbelang, maar voor het algemeen belang, ook al doe je dat binnen een deelterrein als milieu of onderwijs.

En in de derde plaats vertegenwoordig je dat algemeen belang niet alleen binnen je eigen organisatie, maar doe je dat in oprechte samenwerking met andere overheden en maatschappelijke organisaties. Dat zijn wat mij betreft de drie kernelementen van ambtelijk vakmanschap. Ze hebben te maken met bewustzijn, gedrag, houding en cultuur. En natuurlijk, er horen instrumenten bij. Maar dat is de gemakkelijke kant van de zaak.’

Is uw opvatting over ambtelijk vakmanschap een eindafrekening met new public management, dat juist de waarden uit het bedrijfsleven propageerde?
‘De hedendaagse visie op ambtelijk vakmanschap is daar absoluut een breuk mee, zij het dat die trend al langer aan de gang is. In de jaren tachtig en negentig dachten we dat overheid het beste gerund kon worden als een bedrijf. Die gedachtegang leidt tot een volstrekt andere invulling van ambtelijk vakmanschap. New Public Management is echt niet van de 21ste eeuw. Het miskent gezamenlijke verantwoordelijkheden, ondanks individuele verschillen.

Ambtelijk vakmanschap van nu staat juist in het teken van gezamenlijkheid. Ook op leidinggevend niveau. Was het tot enkele jaren geleden een deugd dat management en inhoud los stonden van elkaar, nu is er de overtuiging dat managers alleen kunnen slagen wanneer ze ook verstand hebben van de materie. Een directeur Constitutionele Zaken is niet per definitie een goede directeur Wonen en andersom. Ik voel me als SG van BZK helemaal op mijn plaats. Maar misschien zou ik een waardeloze SG van Infrastructuur en Milieu zijn, simpelweg omdat ik er te weinig van weet.’


Rijksambtenaar minst bevlogen
Vakmanschap
Rijksambtenaren beoordelen hun eigen vakmanschap het laagst van de gehele publieke sector. Ze volgen ontwikkelingen in hun vakgebied minder goed dan andere publieke werkers en ze doen minder hun best om beter te presteren. Ook medewerkers van provincies, gemeenten en waterschappen halen het gemiddelde vakmanschap van de publieke sector naar beneden.

Bevlogenheid
Rijksambtenaren zijn het minst bevlogen in de publieke sector, gevolgd door gemeente- en provincieambtenaren. Ambtenaren zijn aanzienlijk minder trots op hun vak, gaan ‘s morgens vaker met tegenzin naar hun werk en eenmaal achter hun bureau zijn ze minder geïnspireerd

Betrokkenheid
Provincieambtenaren voelen zich met minst betrokken bij hun werk, gevolgd door gemeente- en rijksambtenaren. Ze zien organisatievraagstukken minder als hun eigen probleem, zijn minder gehecht aan hun organisatie en voelen zich er minder thuis.
Afbeelding
Hoogleraar Bestuurskunde Paul ‘t Hart schreef in 2014 het essay ‘Ambtelijk Vakmanschap 3.0; Zoektocht naar het Handwerk van de Overheidsmanager’. Te vinden op www.nsob.nl.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.