of 59232 LinkedIn

10 VRAGEN AAN MINISTER MELANIE SCHULTZ VAN HAEGEN OVER DE OMGEVINGSWET

Reageer

De invoering van de Omgevingswet is de grootste wetgevingsoperatie in omgevingsrecht. Wat zijn de gevolgen, waar ligt de winst en wat zijn de knelpunten? In een interview met Oranjewoud geeft Minister Melanie Schultz van Haegen antwoord op tien prangende vragen. Haar motto voor de Omgevingswet is: We gaan naar een cultuur van ‘Ja, mits’ in plaats van ‘Nee, tenzij’

1.            Met welk onderdeel uit de Omgevingswet zou u vandaag al willen werken en waarom?

“Minder regels in het ruimtelijk domein, grotere keuzevrijheid voor burgers en ondernemers, meer duidelijkheid en gebruikersgemak door de 'een-loket-gedachte', kortere en goedkopere procedures…. De opbrengsten van de Omgevingswet zijn enorm. Maar als ik toch één onderdeel mag kiezen, dan ga ik voor integraal werken, één van de kernelementen van de Omgevingswet. Dus binnen een gebied de verschillende belangen in verband bekijken en zo de beste en duurzame oplossingen vinden.”

 

2.            Welk knelpunt in het huidige omgevingsrecht heeft u het meest doen verbazen?

“Dat hangt samen met het eerste punt. Iedereen onderschrijft het belang en de voordelen van integraal werken, maar doet het niet. Verbazingwekkend,  de praktijk heeft kennelijk een wettelijke stimulans nodig. Dat hebben we ook bij de Wabo gezien: achter het loket kwam samenwerking tot stand.”

 

3.            Wat is de meest fundamentele wijziging in de Omgevingswet?

“De meest fundamentele wijziging in de Omgevingswet is het terugleggen van de verantwoordelijkheid voor de inrichting van de omgeving naar de samenleving. Daarbij is vertrouwen het uitgangspunt. Iedereen wordt geacht bij initiatieven en activiteiten de zorg voor de leefomgeving in acht te nemen. Als die leefomgeving in gevaar komt, moeten maatregelen worden genomen om dit te voorkomen of ongedaan te maken. We gaan met de Omgevingswet naar een cultuur van ‘Ja, mits’ in plaats van ‘Nee, tenzij’.  Belangrijk voor iedereen die met de omgeving te maken heeft: de Omgevingswet haalt de schotten tussen een flink aantal wetten weg en ordent de regelgeving die betrekking heeft op het omgevingsrecht. Het wordt eenvoudiger en overzichtelijker.”

 

4.            In hoeverre is de Omgevingswet in de huidige opzet het nieuwe kader waar het bedrijfsleven op wacht? 

“Bedrijven kunnen door de samenhang in de regelgeving beter inschatten of initiatieven kunnen worden uitgevoerd en aan welke voorwaarden zij daarbij moeten voldoen. De winst zit hem in verschillende dingen. Minder regels betekent besparing van kosten en tijd. Eén gemeentelijk omgevingsplan zorgt voor een flinke sanering van regels en een einde aan bestaande tegenstrijdigheden. Een ‘meedenkende overheid’ staat voor minder gedetailleerde vergunningaanvragen, meer ruimte voor duurzame en innovatie initiatieven. Gemakkelijker toegang en vindbaarheid van geldende regels door digitalisering betekent één loket, één aanvraag en één bevoegd gezag. Eenvoudiger en beter dus.”

 

5.            Waar zit de versnellingsfactor in de Omgevingswet?

Ik noem er drie. Procedures voor vergunningen gaan van 26 naar 8 weken, met een verdagingsmogelijkheid van zes weken. Een tweede punt betreft de beweging in de Omgevingswet om meer activiteiten onder algemene regels te brengen waardoor minder vergunningen aangevraagd hoeven te worden.  De initiatiefnemer kan dan direct aan de slag. Dat scheelt. Als derde noem ik de Sneller en Beter-aanpak: brede participatie aan de voorkant van besluitvorming. Die aanpak stimuleren we in brede zin en bij het projectbesluit is die wettelijk verplicht. Op die manier bevorderen we niet alleen de kwaliteit van de besluitvorming, maar per saldo gaat het hele proces tot en met de uitvoering ook sneller. De investering aan de voorkant verdien je terug in de uitvoeringsfase.

 

6.            De Omgevingswet biedt beleidsvrijheid en bestuurlijke afwegingsruimte, maar hoe verhoudt zich dit ten opzichte van de rechtszekerheid?

“De ruimte die wij aan de decentrale overheden willen bieden, is in de eerste plaats begrensd door wet- en regelgeving. Daarnaast zal de geboden ruimte op lokaal niveau echt niet onbezonnen worden ingevuld: de lokale democratie heeft ook checks en balances; wat meer vertrouwen daarin kan geen kwaad. Kijk bijvoorbeeld naar de gemeente Boekel die op het punt van welstand de burgers veel ruimte heeft gegeven. Die gaan met die ruimte verstandig om. Als sluitstuk is er uiteraard de rechter. Het bestuursorgaan zal altijd in redelijkheid tot zijn besluit moeten komen.”

 

7.            Wat valt u op in de consultatieronde van de toetsversie van de Omgevingswet die momenteel plaatsvindt?

“Dat iedereen het eens is dat er een Omgevingswet moet komen. Over het algemeen is er waardering voor de wet.  Wel wil iedereen graag zijn eigen belangen, liefst op wetsniveau, geborgd zien. Als het kabinet alle wensen zou honoreren, zou de wet een onwerkbare kerstboom worden. In dit verband heb ik wel eens de mooie uitspraak gehoord: iedereen wil integreren, maar niemand wil geïntegreerd worden.”

 

8.            In de media valt op dat niet iedereen onverdeeld enthousiast is over de huidige koers van de Omgevingswet, hoe denkt u deze groepen in de uitwerking mee te nemen?

“Dat zijn de gemeenten, provincies en waterschappen, maar ook burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties. Deze worden actief betrokken bij dit proces, en discussie is welkom. Iedereen onderschrijft de gedachte dat zaken simpeler en effectiever moeten. Dat daar verschillende ideeën over leven is juist goed. Wij zoeken vanuit het ministerie actief de kennis en ervaring vanuit de uitvoeringspraktijk, door gerichte consultatie, botsproeven en de wisselwerking met de Adviescommissies. Alleen die manier van opereren maakt dat er straks een goede wet ligt. Natuurlijk begrijp ik dat men benieuwd is naar de verdere uitwerking in de uitvoeringsregelgeving. Daar worden de consequenties van de Omgevingswet nog tastbaarder.” 

 

9.            Wat verwacht u straks van de gebruikers van de Omgevingswet?

“Ik verwacht van burgers, bedrijven en overheden dat zij volop gebruik gaan maken van de mogelijkheden van de Omgevingswet. Burgers en bedrijven door het ontplooien van initiatieven en activiteiten, overheden door een samenhangend omgevingsbeleid te ontwikkelen dat openstaat voor die initiatieven. Beiden, initiatiefnemers en overheden, hebben de plicht om er voor te zorgen de kwaliteit van de leefomgeving gewaarborgd blijft.”

 

10.          Wat is volgens u het eindbeeld van de Omgevingswet?

“Het eindbeeld van de Omgevingswet is dat er een stevig, samenhangend en eenduidig fundament onder het omgevingsrecht ligt, dat lang mee kan. Regelgeving en besluitvorming gestroomlijnd en aangepast. Burgers en bedrijven vanaf het begin op een actieve en uitnodigende manier betrokken bij het maken van plannen. Procedures eenvoudiger, doelmatiger, sneller en goedkoper. Niet langer werken vanuit deelbelangen, maar projecten in samenhang en gebiedsgericht bekijken. Meer overzicht en minder onzekerheid. De wet zal wezenlijk bijdragen aan het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, zonder dat alles bij voorbaat is dichtgetimmerd. Kortom, het nieuwe omgevingsrecht zal de gebruikers een betere balans tussen zekerheid en dynamiek, tussen bescherming en beweging bieden.”

Bron: Binnenlands Bestuur, 22 augustus 2013

Verstuur dit artikel naar Google+