of 59250 LinkedIn

'Krachtige oppositie onmisbaar'

Versplintering van het politieke landschap tast de effectiviteit van het bestuur aan. Meer directe kiezersinvloed en een hogere kiesdrempel zijn onvermijdelijk, betoogt de scheidende Twentse hoogleraar politicologie Jacques Thomassen.

‘Een rechts kabinet van VVD, CDA en PVV is de meest logische vertaling van de verkiezingsuitslag.’ Met meer dan 30 jaar wetenschappelijke analyse van kiezersgedrag achter de rug acht de Twentse hoogleraar politicologie Jacques Thomassen een dergelijk kabinet het beste voor het functioneren van de parlementaire democratie.

 

Inhoudelijk heeft het niet zijn voorkeur, maar zo’n rechts kabinet genereert een krachtige onderscheidende oppositie. ‘Ik ben daarom geen voorstander van een Paars-pluskabinet of een groot middenkabinet van VVD, PvdA en CDA. De oppositie komt met dergelijke coalities per definitie van extreemlinks en extreemrechts. Je hebt dan geen geloofwaardige oppositie die de regering kan overnemen en dat leidt tot nog meer versplintering.’

 

Thomassen voorspelde 10 jaar geleden ten tijde van het tweede Paarse kabinet van PvdA, VVD en D66 de opkomst van Leefbaarachtige partijen en populistische varianten zoals de FPÖ van de Oostenrijkse politicus Jörg Haider. Dat zou de oogst zijn van de samenwerking van de klassieke tegenstanders.

 

De scheidende Twentse hoogleraar mag met de opkomst van Pim Fortuyn en Geert Wilders zijn gelijk noteren. ‘Paars verzamelde alle grote partijen van links tot rechts in één kabinet. Het was daarmee een soort nationaal kabinet waartegen het CDA geen echte oppositie voerde, omdat zij het eigenlijk eens was met het paarse beleid. Als kiezers vervolgens ontevreden zijn over zo’n kabinet valt de oppositie tegen het regeringsbeleid samen met ontevredenheid over het politieke stelsel.

 

'Dat is precies wat Fortuyn heeft gedaan. Hij voerde oppositie tegen het regeringsbeleid, de effecten van de marktwerking en op kwesties waar de kiezer zich slecht vertegenwoordigd voelde en die kritiek uitte zich als ontevredenheid over de paarse politiek en het politieke stelsel. Het belangrijkste was echter dat er geen geloofwaardige oppositie was.’

 

Karteldemocratie

 

De opkomst van Wilders is volgens Thomassen vergelijkbaar met de opkomst van de rechts-populistische politicus Jörg Haider in Oostenrijk. De 2 jaar geleden verongelukte Haider zette zich af tegen de Oostenrijkse politieke cultuur waarin de christen- en sociaal-democratische partijen elkaar de macht gunden.

 

‘Haider verzette zich tegen de karteldemocratie van SPÖ en ÖVP zoals we die in Nederland ook kennen met de grote partijen. Bij Wilders gaat het daarbij niet zozeer om een onderscheid op de traditionele sociaaleconomische links-rechts-thema’s maar om het onderscheid op de zogeheten culturele dimensie: meer nationalistisch en traditioneel versus kosmopolitisch en Europees, meer open staan voor migranten of juist daar tegen zijn. We hebben dat goed kunnen zien in het Europees referendum in 2006.

 

'De traditionele partijen CDA, PvdA en VVD waren het allemaal met elkaar eens over Europa. De oppositie tegen dat referendum kwam van SP en de kleine christelijke partijen. Het ontbrak aan een krachtige, grote oppositie. Het probleem was bovendien dat de linkse elite, zeg maar het kader van de PvdA bijvoorbeeld, veel kosmopolitischer denkt dan de traditionele PvdA-kiezer. In dat gat is Wilders gesprongen en dat heeft hij succesvol gedaan door op de klassieke sociaaleconomische thema’s ook nog eens van rechts naar links op te schuiven.’

 

Vlees of hagelslag

 

Thomassen wil met zijn analyse maar zeggen dat wanneer grote politieke partijen de kiezers hun inhoudelijke politieke verschillen niet kunnen of willen laten zien, het te gemakkelijk is om de daaruit volgende versplintering van de volksvertegenwoordiging te kwalificeren als een crisis van de democratie.

 

‘Je hoort steeds weer dat zo’n versplintering een teken is van het dalende vertrouwen in de democratie. Uit onze kiezersonderzoeken blijkt dat het vertrouwen niet is gedaald. De grote verschuivingen van zetels van de ene naar de andere partij is evenmin een teken van een gebrek aan vertrouwen. Weliswaar heeft geen van de partijen nog een grote loyale achterban, maar de kiezer vliegt echt niet alle kanten op. Hij kiest niet de ene keer vlees en de volgende keer hagelslag, hij kiest uit verschillende soorten vlees. Nederland scoort bovendien in internationale vergelijkingen onveranderlijk hoog op het vertrouwen in de democratie. Dat komt ook omdat Nederland tot de minst corrupte landen behoort.’

 

‘Toch hoor je nog steeds vergelijkingen met de Weimarrepubliek in het Duitsland van de jaren ‘30 of de Vierde Republiek in Frankrijk in de jaren ‘50, maar ik kan daar geen indicatie voor vinden. Als je al wilt vergelijken, zie je dat in het Duitsland van de jaren ‘30 een politieke cultuur was waarin democratie nauwelijks was geïnternaliseerd. Maar democratie is in de laatste 100 jaar sterk uitgebreid en verstevigd.

 

'In het begin van de 19e eeuw bestond democratie nauwelijks, nu hebben we democratie in zo’n honderd landen. We hebben een veel meer democratische cultuur en er is ook nog eens een ontwikkeling naar een anti-autoritaire samenleving. Ik zie niet gebeuren en vind ook geen aanwijzingen dat mensen massaal achter een nieuwe rattenvanger van Hamelen aanhollen. Dus hoezo crisis in de democratie?’

 

Christus

 

De opkomst en de electorale successen van Fortuyn en Wilders beschouwt Thomassen evenmin als het begin van het einde van de traditionele politieke partij. ‘Democratie zonder politieke partijen is ondenkbaar. Er is nog niemand die een alternatief heeft bedacht. De PVV van Wilders is geen politieke partij vanwege het ontbreken van interne democratische spelregels, maar Wilders gedraagt zich wel als een politieke partij die de kiezers een aanbod doet van inhoudelijke opvattingen.’

 

Het beeld dat de persoonlijkheid van de leider doorslaggevender is dan het programma en dat daarmee de klassieke partij wordt uitgehold, blijkt volgens Thomassen niet uit kiezersonderzoek. ‘Je hebt een combinatie nodig van een inhoudelijk programma en iemand die die boodschap overtuigend kan overbrengen. LPF en PVV hebben op vraagstukken als islamisering en Europa kiezers weten te mobiliseren die zich op dat soort punten niet vertegenwoordigd wisten. Maar het is niet zo dat kiezers massaal op Fortuyn stemden omdat hij de nieuwe Christus was.’

 

De Nederlandse democratie met al haar instituties en het representatieve stelsel staat dus nog altijd recht overeind. ‘Het systeem werkt, al zouden we een zekere polarisatie kunnen gebruiken. Polarisatie in de betekenis van het accentueren van verschillen is goed voor het functioneren van de democratie. Maar er moet vooral iets van stabiliteit in het systeem komen om de versnippering te voorkomen.

 

'De versplintering leidt tot een enorme doorstroming in de Tweede Kamer en maakt de kabinetsvorming steeds moeilijker. Dat zet de effectiviteit van het samenspel tussen kabinet en parlement op het spel. Er is daarom een directere relatie nodig tussen de verkiezingsuitslag en de kabinetsvorming zodat kiezers meer invloed kunnen uitoefenen.’

 

Thomassen erkent dat er geen politieke meerderheid is om ook maar iets te veranderen aan het kiesstelsel. Zelfs de burgers lijken het wel best te vinden. ‘Er is onder minister van bestuurlijke vernieuwing Pechtold (D66) een burgerforum geweest dat de opdracht kreeg om met revolutionaire veranderingen te komen. Het leidde slechts tot een verdere verfijning van het systeem van evenredige vertegenwoordiging. Kiezers kregen ook meer invloed om de verkiezing met voorkeursstemmen mogelijk te maken maar dat is geen oplossing van het probleem.’

 

Bodem leggen

 

Het verzet tegen vernieuwingen van het kiesstelsel is voor Thomassen geen reden om zijn pleidooi te staken. ‘Er zijn grote blokken nodig die om de macht strijden. Er moet een geloofwaardige grote oppositie zijn die de regering kan overnemen. Kiezers moeten daartoe door een constructieve motie van wantrouwen bij verkiezingen in staat zijn. Als er geen alternatief is, krijg je versplintering en dat is een groot probleem voor het bestuur en de legitimiteit van het beleid.

 

'Het probleem is nu dat er te weinig grote partijen zijn. Dat grotere partijen steeds kleiner worden, houd je niet tegen - de tijd dat partijen de waarden van katholieken en arbeiders vertegenwoordigden bestaat niet meer - maar je kunt wel een bodem leggen. Een hogere kiesdrempel kan er voor zorgen dat versnippering wordt tegengegaan.’

 

Verkleining van de Tweede Kamer en/of afschaffing van de Eerste Kamer, wijst Thomassen af omdat ze geen soelaas bieden. Wat wel zou kunnen werken is om een vorm van een districtenstelsel - altijd in combinatie met evenredige vertegenwoordiging - in te voeren.

 

'Ook zou een rechtstreekse verkiezing van de premier kunnen helpen in de strijd tegen verdere versnippering. De historie heeft bewezen dat kiezers het kiezen van de premier de moeite waard vinden. Twee keer was de herverkiezing van de premier (in 1977 de PvdAcampagne voor Den Uyl met ‘Kies de minister-president’ en in 1986 het CDA met ‘Laat Lubbers zijn karwei afmaken’) inzet van de verkiezingen. Beide keren steeg de opkomst in weerwil van de dalende trend.

 

‘Er viel iets te kiezen. Jouw stem heeft invloed. Je kunt directe verkiezing van de premier daarom invoeren, niet vanwege de personalisering van de politiek maar om een duidelijk onderscheid tussen regering en oppositie af te dwingen. Een alternatief is om voor de verkiezingen duidelijke afspraken te maken met welke combinatie je daarna wilt regeren.’

 

Burgemeester

 

Ook de effectiviteit van het lokaal bestuur kan vergroot worden met de invoering van burgemeestersverkiezingen. ‘De opkomstcijfers zijn dramatisch gedaald. Als politieke partijen geen verschillen meer kunnen laten zien en samen in het college gaan waarom zou je dan als kiezer nog stemmen? Voor het lokaal bestuur gaat het dus om het legitimeren van het bestuur, anders kun je lokale bestuurders net zo goed benoemen.

 

'Je kunt de direct gekozen burgemeester invoeren die zijn stempel kan drukken op het beleid. Geen referenda dus waarbij je alleen maar kan kiezen uit de ene en de andere PvdA’er maar een burgemeester met een beleidsprogramma die een eigen college kan kiezen met daartegenover een controlerende raad. Ik zie ook wel dat de grotere politieke partijen er niet aan willen omdat zij zich bedreigd voelen, maar als je als lokaal bestuur enige legitimatie van de verkiezingen wilt, moet je die richting uit.’

 

Jaques Thomassen

 

Jacques Thomassen (Haghorst, 1945) studeerde sociologie in Tilburg en promoveerde in 1977 aan de universiteit van Tilburg op het proefschrift Kiezers en gekozene in een Representatieve Democratie. Daarna werd hij hoogleraar politicologie in Twente. In zijn wetenschappelijk werk richtte hij zich op het kiezersgedrag in binnen- en buitenland.

 

Thomassen publiceerde in 2000 samen met Kees Aarts en Henk van der Kolk Politieke Veranderingen 1971-1998 in Nederland, een analyse van het gedrag van de Nederlandse kiezers vanaf de jaren zestig. In 2008 rondde hij een studie af naar het belang van tevredenheid over democratische instituties. Vorig jaar publiceerde Thomassen een onderzoek naar de legitimiteit van de Europese Unie.

 

Met de Leidse hoogleraar politicologie Rudy Andeweg werkt Thomassen aan een publicatie over het democratisch gehalte in Nederland. Thomassen is oprichter van een onderzoeksplaats voor vergelijkende studies van verkiezingssystemen. Na zijn afscheid van de Universiteit Twente op 24 september met een symposium over de permanente crisis van de democratie blijft Thomassen algemeen secretaris van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen.

Verstuur dit artikel naar Google+