of 59236 LinkedIn

‘Niet het einde van het marktsysteem’

Ed Lof Reageer
De prognoses van het Centraal Planbureau (CPB) spelen een prominente rol bij de politiekebesluitvorming. Soms worden ze ingehaald door onvoorziene ontwikkelinge, zoals nu met de kredietcrisis. Directeur Coen Teulings over het werk van het CPB. 'We kunnen niet voorschrijven wat er moet gebeuren.'

De grondgedachte achter de oprichting van het CPB was dat door meer sturing van de economie, herhaling van crises als in de jaren dertig kon worden voorkomen. Hoewel het CPB een grote rol speelde in de geleide economie van de naoorlogse decennia, was het nooit een echt planbureau; het publiceert prognoses, analyses en studies. Directeur Coen Teulings kent de invloed én gevoeligheden van het rekenwerk van het CPB. Hij kiest zijn woorden zorgvuldig.

 

De actualiteit: de kredietcrisis. Je hoort hier en daar het einde van het kapitalisme aankondigen. Brengt de crisis een keerpunt in de herwaardering van het marktdenken die sinds begin jaren tachtig heeft plaatsgevonden? Waarom hebben we niets geleerd van eerdere crises?

 

‘De situatie op de financiële markten is slecht, slechter dan voorzien. De huidige crisis is heftiger dan we gewend zijn en wat de effecten op de reële economie zijn, dat moeten we afwachten. Maar het is niet aan de orde om het einde van het marktsysteem af te kondigen. Denk aan China en India, waar een derde van de wereldbevolking dankzij dat marktsysteem voor het eerst zicht krijgt op een redelijk welvaartsniveau.

 

‘De financiële markten hebben altijd al periodiek tot crises geleid. Eén reden ligt in de onzekere toekomstverwachtingen. Die zijn uit de aard der zaak onzeker. Golven van optimisme en pessimisme blijven financiële markten kenmerken. Een tweede reden ligt in het feit dat kapitaal alleen wordt uitgeleend in de verwachting dat, of beter nog: in het vertrouwen dat wordt terugbetaald. We hebben tal van instituties om dat vertrouwen te schragen, maar het blijft kwetsbaar. De instituties die dat vertrouwen ondersteunen, staan nu onder druk. Waarbij je wel kunt concluderen dat de regulering, het toezicht, steeds achterloopt bij de voortdurende innovaties op de financiële markten. Denk maar aan derivaten en structured investment vehicles. Toezicht is een voortdurend leerproces waarbij je elke keer hekken zeten de financiële sector voortdurend naar wegen zoekt om daar omheen te komen.’

 

Het CPB maakt analyses waar politici veel houvast aan kunnen hebben en dan gaat het bij het begrotingsdebat over weinig anders dan koopkrachtplaatjes. Het publiek, en soms ook politici, lijken vaak niet te snappen waar economie over gaat. Is dat niet frustrerend?

 

‘Nee, die frustratie voel ik niet zo erg. Het is juist mooi dat economisch onderzoek soms verrassende conclusies oplevert, die haaks staan op wat veel mensen intuïtief denken. Bijvoorbeeld dat versoepeling van het ontslagrecht tot meer werkgelegenheid leidt. Wat betreft de koopkrachtplaatjes: ik weet dat het zo gaat. Ik volg het debat en dan ik denk wel eens: over kleine koopkrachtgevolgen voor bepaalde groepen wordt te moeilijk gedaan, maar ik weet ook dat veel politici onze analyses wel serieus nemen en er ook wat mee doen. En wat dat onbegrip betreft – ja, dat zie je wel, maar ik heb het altijd als een uitdaging gezien om het prachtige vak dat economie is, voor mensen inzichtelijk te maken. Voor politici is het soms aanlokkelijk om de draak te steken met die schijnbare economische paradoxen, soms op een manier waarvan ik denk: moet dat nu echt zo?

 

‘In het algemeen vind ik juist dat politici en hoge ambtenaren goed begrijpen hoe de economie werkt. In de hitte van het Kamerdebat komen niet alle finesses van de economische theorie tot hun recht, maar daar heb ik begrip voor. Doorgaans krijgen we veel respect en waardering. We voeren soms langdurige discussie zoals recentelijk over de kinderopvang, waarvan wij denken dat we aan de grenzen zijn gekomen van wat maatschappelijk nog zinvol is. Niet iedereen is het altijd met ons eens, maar wat het CPB zegt heeft invloed.’

 

Over dat onbegrip - kijken economen anders aan tegen de werkelijkheid dan, zeg maar, ondernemers, politici of burgers?

 

‘Ja, maar wat nog belangrijker is, is dat mensen, ook politici, vaak denken dat het economisch perspectief hetzelfde is als het perspectief van het bedrijfsleven. Dat is niet zo. Ondernemers moeten winst maken, voor hen zijn externe effecten zoals milieuschade die niet op hun resultatenrekening drukken, in wezen irrelevant. Wat overigens niet betekent dat ze zich er niets aan gelegen laten liggen. Maar als econoom kijk je naar de maatschappelijke kosten en baten, en dat perspectief staat vaak haaks op dat van het bedrijfsleven. Wij hanteren een breed welvaartsconcept. Daarbij gaat het om alles wat de burgers belangrijk vinden, inclusief bijvoorbeeld de voorkeur voor een schoon milieu, of meer vrije tijd in plaats van een hoger inkomen. Dat speelde bijvoorbeeld bij de kinderopvang. Het kabinet wil graag een zo hoog mogelijke participatie, maar als mensen zelf zeggen dat ze liever korter werken en meer tijd aan de kinderen besteden, dan is dat ook relevant. Het gaat niet alleen om een zo hoog mogelijk inkomen.’

 

De prognoses van de CPB-modellen worden in hoge mate bepaald door externe variabelen die alleen maar met de natte vinger zijn in te schatten, zoals de olieprijs, de dollarkoers en de wereldhandel.

 

‘Misschien zijn sommige prognoses wel nattevingerwerk, maar daarbij is onze toegevoegde waarde vooral dat we bijvoorbeeld in de Macro Economische Verkenningen varianten geven op grond van verschillende veronderstellingen over die dollarkoers of olieprijs: hoe verandert dat de economische perspectieven? Prognoses maken is ook maar één van de dingen die we doen, en we werken al lang niet meer met één groot macro-model waar alles in zit. We gebruiken allerlei modellen met blokjes uiteenlopende informatie, bijvoorbeeld over het arbeidsaanbod, of de woningmarkt. Veel van onze studies gaan over wat de gevolgen zijn van deze of gene beleidsmaatregel.

 

‘Een paar jaar geleden analyseerden we bijvoorbeeld de gevolgen van de nieuwe aanpak van de bijstand, waarbij de gemeenten daarvoor een vast bedrag krijgen. Wij voorspelden dat daardoor het beroep op de bijstand zou afnemen. Dat bleek uit te komen, zelfs in nog veel sterkere mate dan we hadden voorzien. Nu gemeenten zelf voor de kosten opdraaien, doen ze veel meer moeite om mensen aan het werk te krijgen. We maken ook kosten- batenanalyses, zoals voor de aanleg van een nieuwe snelweg. Daarbij wordt steeds meer rekening gehouden met externe kosten, zoals milieu-effecten. Het waarderen van milieufactoren, het kwantificeren van externe kosten, is een snel groeiende tak van de economische wetenschap.’

 

Het CPB publiceerde verschillende rapporten over de woningmarkt. Moet die verder geliberaliseerd worden? En van wie is het vermogen dat in de corporatiewoningen zit, sinds die verzelfstandigd zijn?

 

‘We hebben in 2006 een studie gepubliceerd over de hypotheekrenteaftrek, waarin geconcludeerd werd dat er sprake is van een forse subsidiëring, voor een bedrag van zo’n 16 miljard euro. Dit jaar hebben we een onderzoek naar de huursector gedaan. Daar kwam uit dat de huursector eigenlijk voor een vergelijkbaar bedrag wordt ondersteund.

 

‘Volgend jaar moet een integrale studie over de woningmark verschijnen, waarin de effecten van een aantal scenario’s worden geraamd en waarin ook de rol van de corporaties aan de orde komt. Daar is iets grondig mis. En dat heeft te maken met het feit dat indertijd bij de verzelfstandiging de eigendom van hun vermogen niet goed geregeld is. Ik wil niet op ons rapport vooruitlopen, maar het is helder dat er problemen zijn op de woningmarkt. Volgend jaar verschijnt ook een advies van de Sociaal Economsiche Raad over de volkshuisvesting, dus die discussie zal dan zeker gevoerd worden.’

 

Wordt uw wetenschappelijke speelruimte beperkt door politieke factoren, zoals het taboe op de discussie over de hypotheekrenteaftrek?

 

‘In een functie als deze wordt je vrijheid van denken tegelijk groter en kleiner. Groter omdat het CPB een onafhankelijke instelling is, die zelf kiest over welke onderwerpen het iets zegt en welke analyses het maakt. Maar omdat het gewicht van wat je zegt groot is, moet ik wel goed op mijn woorden passen. Onze ramingen en analyses worden onder een vergrootglas gelegd, en er kunnen makkelijk misverstanden over ontstaan die verstrekkende gevolgen kunnen hebben. Wij zijn niet gebonden aan de opschorting van de discussie over de hypotheekrenteaftrek, maar vanwege de impact van wat we zeggen, zijn we terughoudend. We kunnen ook niet voorschrijven wat er moet gebeuren. Wij dragen informatie aan, de politiek beslist. Onze eerste taak is het analyseren van de informatie, een advies over de te volgen lijn is daarvan een afgeleide. Toegegeven, de grens tussen analyseren en adviseren is niet altijd even scherp.

 

‘In de Macro Economische Verkenningen beoordelen we bijvoorbeeld of de overheid zich houdt aan de eigen begrotingskaders. Daar zie je dus een beetje het opgeheven vingertje. Tegelijk zijn we ons ervan bewust dat de onafhankelijkheid van onze analyses geen vanzelfsprekendheid is. Er worden wel eens pogingen gedaan invloed uit te oefenen op wat we doen, en dan wijs ik er als directeur op dat het CPB zonder die onafhankelijkheid zijn betekenis verliest. Daar moet je voortdurend alert op zijn, die moet je voortdurend bewaken en zelfs bevechten. Die onafhankelijkheid moet ook geschraagd worden wordt door de kwaliteit van ons onderzoek.’

 

Wat is uw oordeel over de rijksbegroting 2009?

 

‘Dat staat precies in de Macro Economische Verkenning. Ten dele wordt de structurele verslechtering van de rijksfinanciën verhuld door incidentele meevallers. Daardoor worden er lasten, met name de btw-verhoging, doorgeschoven naar 2010. Maar er is geen sprake van verjubeling van aardgasbaten of iets dergelijks. Het kabinet heeft de grenzen van het trendmatig begrotingsbeleid opgezocht maar heeft die niet overschreden. Dat vind ik al een hele prestatie.’

 

CPB

 

Het Centraal Planbureau is opgericht in 1945 met als directeur Jan Tinbergen, een van de grondleggers van de econometrie die in 1969 de Nobelprijs voor economie ontving. De voornaamste prognoses zijn vervat in het elk voorjaar gepubliceerde Centraal Economisch Plan (CEP) en de tegelijk met de indiening van de Miljoenennota verschijnende Macro-Economische Verkenning (MEV). In de MEV wordt ook doorgerekend wat de gevolgen zijn van het voorgenomen beleid en de begroting van het kabinet. Het CPB ressorteert onder het ministerie van Economische Zaken; er werken ongeveer 150 mensen.

 

Coen Teulings

 

Coen Teulings (1958) studeerde in 1985 cum laude af in de economie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij specialiseerde zich op het gebied arbeidseconomie en promoveerde in 1990 op het proefschrift Conjunctuur en kwalifi catie. Na drie jaar als hoofd afdeling Inkomensbeleid van het ministerie van Sociale Zaken werd hij in 1998 hoogleraar economie aan de Rotterdamse Erasmus Universiteit en directeur van het Tinbergen Instituut. Na zes jaar verruilde hij die laatste functie voor die van directeur van SEO Economisch Onderzoek, en in 2006 volgde hij Henk Don op als directeur van het CPB.

 

Verstuur dit artikel naar Google+