of 59250 LinkedIn

Provincie belanghebbende bij beroep omgevingsvergunning

Reageer

Afbeeldingmr. V.A. Textor (Vera)

 

Uit de uitspraak van de Raad van State van 29 november 2017,  ECLI:NL:RVS:2017:3274; wordt duidelijk dat provincies kunnen procederen tegen omgevingsvergunningen waarbij gemeenten het provinciaal ruimtelijk beleid niet in acht hebben genomen.

Wat was er aan de hand? Een ontwikkelaar had een brief aan de gemeente gestuurd. Daarin had hij namens een kandidaat koper voor een pand op een bedrijventerrein te Zwolle verzocht om in overleg te treden ter onderbouwing van de plannen met dit pand. De brief bevatte – enigszins verstopt – een aanvraag om een omgevingsvergunning. Een en ander leidde ertoe dat bij besluit van 8 februari 2016 van rechtswege een omgevingsvergunning was gegeven aan de ontwikkelaar voor het gebruik van het pand voor detailhandel.

 

Uit zowel het provinciale als gemeentelijke beleid bleek dat reguliere detailhandel op het bedrijventerrein niet was toegestaan. GS van Overijssel (‘GS’) ging daarom met succes in bezwaar tegen de van rechtswege gegeven omgevingsvergunning. Het college heeft de omgevingsvergunning van rechtswege in heroverweging herroepen wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening en de aanvraag alsnog geweigerd. De ontwikkelaar is tegen dit besluit in beroep gegaan bij de rechtbank Overijssel.


Uitspraak rechtbank Overijssel

De rechtbank heeft op 14 oktober 2016 uitspraak gedaan en geoordeeld dat GS niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 Algemene wet bestuursrecht kon worden aangemerkt (Zie ECLI:NL:RBOVE:2016:3970). De rechtbank heeft – samengevat – overwogen dat de vraag of sprake is van een aan een bestuursorgaan toevertrouwd belang in de zin van artikel 1:2, tweede lid, van de Awb, moet worden beantwoord aan de hand van de wettelijke taken die aan een bestuursorgaan zijn opgedragen (r.o. 3.3). De rechtbank komt tot het oordeel dat voor GS geen taak is weggelegd voor wat betreft de verlening van een omgevingsvergunning als hier aan de orde (r.o. 3.10). Ter motivering van dit oordeel heeft de rechtbank overwogen dat in de provinciale Omgevingsverordening slechts instructies zijn gegeven aan de gemeenteraad (r.o. 3.5-3.8). Verder zou niet concreet zijn onderbouwd dat aan de Omgevingsvisie een aan GS toevertrouwd belang kan worden afgeleid (r.o. 3.9).

 

GS van Overijssel en het college van Zwolle konden zich niet vinden in dit oordeel van de rechtbank. Zij zijn in hoger beroep gegaan. Zij waren van mening dat GS wel degelijk ontvankelijk was in zijn bezwaarschrift.


Belanghebbende (artikel 1:2, tweede lid Awb)

Ingevolge artikel 1:2, tweede lid, gelezen in verbinding met het eerste lid, van de Awb is een bestuursorgaan belanghebbende, indien een aan hem toevertrouwd belang rechtstreeks betrokken is bij een besluit van een ander bestuursorgaan. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 1:2, tweede lid, van de Awb (Kamerstukken II, 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 34) blijkt dat de vraag of kan worden gesproken van een aan een bestuursorgaan toevertrouwd belang moet worden beoordeeld aan de hand van de taken die aan het bestuursorgaan zijn opgedragen. Daarvoor is in de eerste plaats de wetgeving bepalend, waaruit het takenpakket van – in dit geval – GS kan worden afgeleid.


Toepassing op de casus

Het gaat er aldus om of aan GS – met betrekking tot de besluitvorming omtrent de omgevingsvergunning als hier aan de orde – taken zijn toebedeeld. Dat is volgens de Afdeling het geval.

 

De Wet ruimtelijke ordening (in het bijzonder artikel 4.1 van de Wro) geeft de provincies immers de bevoegdheid om in het provinciaal belang door middel van een verordening algemene of specifieke eisen te stellen aan ruimtelijke besluiten van gemeenten of aan de kwaliteit van die beslissingen.

 

In dit geval had provinciale staten ook gebruik gemaakt van de bevoegdheid om met het oog op een goede ruimtelijke ordening regels te stellen in een verordening. Zo is in artikel 2.4.2, eerste lid, van de Omgevingsverordening Overijssel 2009 een instructieregel opgenomen waarin staat dat bij de vaststelling van bestemmingsplannen niet wordt voorzien in de nieuwe mogelijkheid om detailhandel uit te oefenen op bedrijventerreinen. De Afdeling oordeelt dat het verlenen van de in dit geding aan de orde zijnde omgevingsvergunning gevolgen kan hebben voor de ruimtelijke ordening van het grondgebied van de provincie, nu daarmee detailhandel wordt toegelaten op een bedrijventerrein, terwijl provinciale staten dat – gelet op de omgevingsverordening – een ongewenste ontwikkeling vinden.

 

De Afdeling overweegt verder dat de enkele omstandigheid dat in de Omgevingsverordening Overijssel 2009 niet is geregeld dat het college bij de onderhavige omgevingsvergunning een ontheffing van de omgevingsverordening hoeft te vragen niet afdoet aan de omstandigheid dat aan het college van gedeputeerde staten in het kader van de ruimtelijke ordening belangen zijn toevertrouwd.


Conclusie

Kortom, omdat aan GS in het kader van de ruimtelijke ordening belangen zijn toevertrouwd, is het belang van GS rechtstreeks betrokken bij het ontstaan van de aan de ontwikkelaar gegeven omgevingsvergunning van rechtswege. Onder de Omgevingswet zal dat mijns inziens niet anders zijn in het geval het gaat om de verlening van de zogenoemde ruimtelijke omgevingsvergunning dan wel niet technische omgevingsvergunning.

 

Nysingh was gedurende de hoger beroepsprocedure betrokken bij de advisering in dit dossier.


Meer informatie

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Vera Textor, E: vera.textor@nysingh.nl | M 06 12 39 39 56.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Contactgegevens

Nysingh advocaten-notarissenAfbeelding

Afbeelding

mr. P.L.G. Haccou (Patrick)

T 026 357 57 35

www.nysingh.nl

Meer nieuws

Afbeelding

Op de hoogte blijven? Volg Nysingh

Afbeelding Afbeelding Afbeelding

Afbeelding