Door Paul Frissen • 05.02.10 • 5 reacties
Zo moest ik laatst spreken bij de ondertekening van een convenant, waarbij een groot aantal partijen afsprak de ‘Verwijsindex Risicojongeren’ te gaan gebruiken. Bij risicojongeren gaat het om taalachterstand, huiselijk geweld, spijbelen, overlast en wat al niet. De verwijsindex is een soort piepsysteem, dat registreert wanneer een professionele hulpverlener contact heeft met een jongere en dat aan de hulpverlener meldt hoe vaak andere hulpverleners met dezelfde jongere contact hebben gehad.
Hoe meer contacten en hoe meer verschillende hulpverleners, hoe groter het risico dat de jongere loopt, zo luidt de redenering. Veel hits moeten dan tot ingrijpen leiden. Want: ‘Nooit meer een Maasmeisje’. Ook in de zachte sectoren van zorg, welzijn en onderwijs rukt het denken in risico’s op. Risicoanalyses zijn zeer gewild. Er heeft zich inmiddels een omvangrijke industrie ontwikkeld die risico’s in beeld brengt en plannen – vanzelfsprekend integrale – opstelt om op tijd en preventief in te grijpen. Natuurlijk is het dan van belang dat risicogroepen worden geregistreerd. Dat alles volgens het ogenschijnlijk sympathieke adagium dat voorkomen beter is dan genezen.
Ik ben vaak blij dat er in mijn jeugd nog geen verwijsindexen bestonden. Ik zou regelmatig een bureau Halt hebben moeten bezoeken. Toch denk ik redelijk goed terecht te zijn gekomen. Het was een feestelijke bijeenkomst waar ik sprak. Een flink aantal gemeenten en een nog groter aantal maatschappelijke organisaties deed mee. Op het schouwburgpodium stonden tafels gereed waar de ondertekening van het convenant zou plaatsvinden. Vooraf was er uiteraard een symposium, waar een betrokken wethouder de bestuurlijke noodzaak van de Risicoindex toelichtte, een professional inhoudelijke uitleg gaf en de professor voor een kritische noot mocht zorgen.
Dat laatste verbaast me steeds weer. In het Nederlandse openbaar bestuur bestaat een grote behoefte aan kwelling, aan geseling. Men is immers goed op de hoogte van mijn fundamentele bezwaren tegen een dergelijke Index. Ik zeg ook altijd dat het vragen om moeilijkheden is als ik de feestredenaar ben, maar steevast hoor ik dat vileine kritiek juist de bedoeling is.
Men meldde mij dat twee gemeenten niet meededen. De betrokken wethouders, een van de PvdA, een van de SGP, hadden principiële bezwaren. Ik dacht nog even dat ik hen tot medestanders mocht rekenen: een verdwaalde liberale sociaaldemocraat en een principiële mannenbroeder die de staat niet achter gereformeerde voordeuren wenste te zien. Dat bleek een misrekening. Zij vonden het convenant niet ver genoeg gaan. In hun opvatting moest bij ‘falende hulpverlening’ – zo noemen politieke bestuurders dat – de wethouder opdracht kunnen geven aan een hulpverlener om in een gezin een interventie te plegen.
Mijn verbijstering daarover – in de SovjetUnie stuurde de staat psychiaters op dissidenten af – bleek naïef te zijn. Er is wetgeving in voorbereiding om precies dat mogelijk te maken, zo meldde men mij. En inderdaad: binnenkort wordt de Wet op de Jeugdzorg gewijzigd en moet er zelfs een landelijke verwijsindex komen die lokaal verplichtend wordt ingevoerd. In afwachting daarvan heeft de gemeente Rotterdam – ons nationale laboratorium voor staatsrechtelijke grensvervaging – alvast de subsidie aan de lokale Riagg ingetrokken, omdat deze weigerde de ‘meldcode huiselijk geweld’ te ondertekenen.
Dat bij deze instelling psychiaters werken die een beroepsgeheim hebben, dat in de relatie tussen client en hulpverlener veiligheid en vertrouwen voorop moeten staan en dat daarom hulpverleners geen opsporingsambtenaren kunnen zijn, vermag in ‘schoon, heel en veilig’ Rotterdam geen indruk te maken. Sterker nog, dat heet al snel ‘onverantwoordelijke probleemontkenning’.
Het kleine verhaal van de goede bedoeling om jongeren in problemen te helpen, krijgt in het handelen van de staat al snel de grote betekenis van de totalitaire verleiding. Hulpverleners hebben juist baat bij onafhankelijkheid. Ze kunnen jongeren pas echt beschermen, als ze geen staatsdienaren zijn en als hun werk van checks and balances is voorzien. Registreren en indexeren leidt immers onvermijdelijk tot interveniëren. Daarom moeten politieagent en hulpverlener niet elkaars beste vrienden zijn.
Paul Frissen is decaan en bestuursvoorzitter van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur, hoog leraar bestuurskunde aan de Universiteit van Tilburg en lid van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling.
Reageer
Vul het onderstaande formulier in en klik op de knop 'Verzenden' om uw reactie in te zenden.
Michiel Jonker • 05.07.10 21:23
@ Gerda Frijda (psychoanalytica)gerda frijda • psychoanalytica • 05.07.10 19:45
Zeergeleerde Heer Frissen, Wat een verademing in deze "Stalinistische" tijden uw stuk tegen de meldcode e.a. te lezen.RWindt • machteloze burger • 10.02.10 02:06
Michiel Jonker • ambtenaar • 09.02.10 22:09Michiel Jonker • ambtenaar • 09.02.10 22:09
Vanuit instrumenteel perspectief bezien, gaat het gaat eigenlijk om de spanning tussen het inzetten van machtsmiddelen en het winnen van vertrouwen (als middel voor gedragsbeïnvloeding). Daar worstelen met name Westerse overheden nogal mee, of het nu gaat om risicojongeren thuis of die stoute rakkers in Afghanistan.RWindt • machteloze burger • 09.02.10 01:47
Hulpverleners hebben juist baat bij onafhankelijkheid. Ze kunnen jongeren pas echt beschermen, als ze geen staatsdienaren zijn en als hun werk van checks and balances is voorzien.
Gerard van Westerloo
Naar columns
Paul Lensink
Naar columns
Lex van Almelo
Naar columns
Ton Bestebreur
Naar columns
Frans Nauta
Naar columns
Douwe Jan Elzinga
Naar columns
Paul Frissen
Naar columns
Teammanager Jeugd | Amsterdam
Procedureel Medewerker | Wolvega
Teammanager WMO | Amsterdam
Kwartiermaker Interimpool | Arnhem
Wilt u als gemeente de aanvraagprocessen vereenvoudigen en versnellen? Werk dan met Kluwer Snelbalie. Dit programma heeft door de unieke combinatie van kennis en informatie alles in huis voor baliemedewerkers om aanvragen snel, correct en eenduidig af te handelen.